Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/10

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
EEN NIEUW DENKBEELD
5
 

meende, dat wij, ik weet niet hoe lang, al op de Middellandsche zee voeren!"

„Toch niet. Onze korenhandel dreef ons daar het eerst naar toe: Juist in een tijd, dat die zoo'n hooge vlucht nam, heerschte in de landen om de Middellandsche Zee schaarschte, als gevolg van slechte oogsten. In 1590 nu voeren de eerste Hollandsche schepen met Oostzeekoren naar Genua, Napels en Venetië en nog met ieder jaar zeilen er meer groote vaartuigen heen."

„Ja," merkte Jacobs vader op, „onze handel is in de laatste tien jaren verbazend toegenomen. Dat kunnen we hier in Amsterdam best waarnemen."

„En toch," ging De Veer voort, „is hij bij lange na niet, wat hij wezen kon. En nu heb ik niet zoo zeer den kórenhandel, als wel onzen handel in Indische waren op het oog. Met de verplaatsing van de groote handelshuizen uit het Zuiden naar het Noorden, kwam natuurlijk ook de handel in Amerikaansche en Indische waren op Portugal en Spanje, hierheen. Je begrijpt, dat de Spaansche regeering met afgunstige oogen de voortdurend toenemende welvaart van deze oproerige gewesten moest aanzien. Filips begon dan ook in de laatste jaren onze kooplui knapjes te bemoeilijken."

„Ik begrijp eigenlijk niet, dat onze schepen niet nog veel méér door hem lastig gevallen worden," zei Evert Jaspersz.

„Jawel, maar je moet niet vergeten, dat hij wat door de vingers moet zien, om den handel in zijn eigen land niet geheel den kop in te drukken. En ja, dan komt er ook nog bij, dat onze kooplui dikwijls slim genoeg zijn, om onder vreemde vlag en met nagemaakte scheepspapieren te varen."

„Hè, da's gemeen," viel Jacob in, „en ik vind het laf ook!"

„Ja, mijn jongen, in den háák is het niet, maar nood breekt soms wet. Het beste zou natuurlijk zijn, dat we