Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/9

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
4
HEEMSKERCK OP NOVA ZEMBLA
 

maar goed oppast, dan weet je zoo niet, wat er nog wel van hem worden kan."

„Goed oppassen, ja, dat heeft hij me beloofd, nietwaar vent?" Liefkoozend streek de brouwer door de blonde krullen van zijn jongen en keek met welgevallen in het flink en open gezicht van den knaap.

„Zeker Vadertje, dat is immers afgesproken?"

„Ja vent, en ik ben er geen oogenblik bang voor, of je zult woord houden óók."

„Dat zal ik, Vader. Maar hoe kan het ook anders, waar ik zoo'n best vadertje en zoo'n echt, heerlijk lief moedertje heb?" Meteen liep hij naar vrouw Jaspersz, sloeg zijn armen om haar hals en zoende haar beide wangen dat het klapte.

„Ondeugende bengel," riep vrouw Jaspersz nu met gemaakte boosheid uit, „kijk me toch eens aan, daar heb je mijn heelen draad gebroken!" en ze gaf hem een tikje op de wang tot bestraffing.

„Hè foei, wat een ondeugend moedertje heb ik toch," zei de schalk met een komisch bedroefd gezicht. „Ik ga maar weer gauw naar mijn oude hoekje toe." En tot De Veer: „Toe, Gerrit, begin nu maar met je verhaal. Misschien dat ik dan langzamerhand mijn verdriet wat vergeten zal."

„Daar ben ik hard bang voor, maat, want zoo heel boeiend zal het niet wezen. Stel je er heusch niet te veel van voor. Ik had je immers alleen maar beloofd te vertellen, met welk doel we de IJszee zijn ingeweest? Welnu dan:

Je moet weten dat de handel van onze Republiek, nadat Antwerpen aan Spanje terug viel, opeens verbazend is toegenomen. Bepaald gróóte handelshuizen, vóór 1585 hadden we die hier in 't Noorden nog zoo goed als nergens! Zelfs het varen naar de Middellandsche zee was toen voor de Hollanders nog iets vreemds."

„Hè," zei Jacob, „dat zou ik nooit gedacht hebben. Ik