Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/130

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd




HOOFDSTUK VIII
 

GROOTE ELLENDE EN EINDELIJK VERTREK

 

Den volgenden dag was er weer hout noodig. Het bij de hut opgestapelde drijfhout lag echter geheel onder de sneeuw bedolven en buiten bleek het zoo geweldig koud, dat het stellig ondoenlijk was, het op te graven.

„Weet je wat," zei de schipper, „graaf dan een gang onder de sneeuw door naar het brandhout toe."

Nu, dat werd gedaan en het voldeed wàt goed. Het was daar in die sneeuwgang volstrekt niet koud en vrij wat frisscher dan in de hut. Had men in 't vervolg brandhout noodig, dan kon men dat, zonder graven en koû-lijden, onder het sneeuwverwulf door, in huis halen.

De eerstvolgende dagen was het weer aanmerkelijk zachter, zoodat zij meer dan vroeger buitenshuis konden zijn. Ja, den 11den Januari gingen ze zelfs een kwart mijl ver naar een heuvel, waar zij steenen afhaalden, om die in het vuur te leggen tot verwarming van hun kooien.

Ook konden zij merken, dat het op den dag al wat lichter begon te worden. Immers, waar zij vroeger al een paar maal geprobeerd hadden zich met een of ander balspel te vermaken, hadden zij dit telkens moeten opgeven, omdat zij den bal toen niet konden zien rollen en dat was nu wèl het geval. Zij waren hierover wàt in hun schik en kwamen meer en meer buiten de deur, om

8 *