Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/132

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
GROOTE ELLENDE EN VERTREK
117
 

den schipper te vergezellen. Barentsz echter gaf voor, dat hij het te druk had met een pas begonnen berekening, en dus onmogelijk mee kon.

De waarheid was, dat de kloeke man zich in den laatsten tijd ook al niet meer dezelfde van vroeger gevoelde. De koude en ontberingen hadden ook hem verzwakt, maar om den moed van het volk wakker te houden, deed hij zijn best, om daar niets van te laten blijken.

Heemskerck, De Veer en Hans Vos gingen dan, zonder den stuurman, er op uit.

„Vind je niet, meester," zei de schipper onderweg tot den barbier, „dat onze Barentsz er niet al te best uitziet tegenwoordig?"

„Ja schipper, ik heb het al vroeger gemerkt. De man doet zijn best om het te verbergen, maar hij heeft iets in zijn oogen, dat mij niet aanstaat," was het antwoord.

„Aerjansz is er al zoo slecht aan toe, dat hij het wel niet lang meer zal maken," zei De Veer, „maar als wij nu ook onzen Barentsz nog moeten missen, dan weet ik niet of het volk niet volslagen moedeloos worden zal... Maar—kijk, kijk! Goeie genade... schipper! meester!—kijk dan toch!—de zon! Groote God, de zon!" riep Gerrit de Veer en de tranen rolden hem van blijdschap langs de wangen.

Ook Heemskerck en Hans Vos waren nu buiten zichzelf van verrukking. Al was het maar o, zoo'n klein plekje van de zon dat zij te zien kregen en al ging het al gauw ook weer onder, 't was toch de zon, de vriendelijke zon, die ze maanden gemist en nog volstrekt niet verwacht hadden.

Zoo snel als hun ruwe klompen op die harde sneeuw het maar toelieten, vloog nu het drietal naar huis, om de heuglijke tijding aan Barentsz te brengen.

Meester Hans vergat voor een oogenblik zijn gewone deftigheid en stoof het eerst de hut binnen onder den