Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/133

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
118
HEEMSKERCK OP NOVA ZEMBLA
 

uitroep: „O, stuurman,—de zon . . . We hebben de zon gezien!" en viel toen hagend op een bank neer.

„Onmogelijk!" zei Barentsz. „Het duurt nog wel veertien dagen..."

„En'tòch is het zoo!" bevestigde meester Hans.

„Kom, hoe hèb ik het nu met je? Je moet het je stellig verbeeld hebben!"

„Maar stuurman," zei meester Hans verontwaardigd, „zou je dan denken dat ik, Johannes Vossius, mij zóó vergissen kon?"

„Nee stuurman, de barbier heeft gelijk!" riepen Heemskerck en De Veer, die nu ook binnen kwamen. „Alle drie hebben we de zon gezien!"

„Het kan niet! Het kan niet!" zei Barentsz ongeloovig. „Of—De Veer moet zijn plicht niet gedaan en de tijdrekening niet geregeld hebben bijgehouden!"

„Hoor eens stuurman," zei De Veer, die zich warm begon te maken, „daar is geen sprake van. Alle dagen, zonder één over te slaan, heb ik een streepje gezet en toen de klok staan bleef, den zandlooper van twaalf uren gebruikt. Ik zeg u, dat ik mijn plicht geen seconde verzaakt heb!"

In een oogenblik zat Barentsz nu over zijn stuurmans boeken gebogen. Hij sloeg na en berekende en bladerde wéér in zijn boeken, om te vinden waar het in zitten mocht, doch hij kon maar niet ontdekken, dat zij zich vergist hadden.

„Mannen," zei Aerjansz kuchend, terwijl hij zich in zijn bed oprichtte: „Wat bennen jullie toch gelukkig!... Jullie hebben de zon gezien en ik—ik zal ze wel nooit meer te zien krijgen."

„Kom, kom, vrind!" zei de meester bemoedigend, „zóó moet je niet gaan praten! Ik zal je nog maar weer eens een medicament klaar maken!—Wie weet, hoe gauw je er weer boven op komt!"

Maar de meester, hoe 'n groot vertrouwen hij ook