Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/134

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
GROOTE ELLENDE EN VERTREK
119
 

gewoonlijk had in zijn eigen kunst, geloofde nu toch zelf niet wat hij zei.

Ook de zieke schudde treurig het hoofd: „Nee meester, ik voel het maar al te goed—het zal gauw met mij afgeloopen wezen. En och ik had toch zoo graag mijn ouwe, goeie moeder nog eens willen zien!"

Tranen rolden langs zijn bleeke uitgeteerde wangen en vermoeid zonk hij in de kussens terug.

Den volgenden dag, omstreeks den middag, trok ieder, die er toe in staat was, naar buiten, om toch óók de zon te zien, zoo gauw die maar zichtbaar werd.

Terwijl ze daar zoo stonden te kijken, zagen ze voor 't eerst weer een beer aankomen. Het dier stapte regelrecht op de hut aan, maar toen ze een groot lawaai maakten, nam hij oogenblikkelijk de vlucht. Van de zon kregen ze evenwel niets te zien, doordat de lucht wat donker en betrokken was.

„Zie je wel, dat jullie je vergist hebben!" zei Barentsz.

„Heb maar geduld, stuurman, als het morgen maar helder weer is, zal dat wel anders blijken!" zei de schipper.

Den anderen dag was het werkelijk helder weer, maar ongelukkig was er juist aan den horizon een bank, waardoor men ook nu weer de zon niet te zien kreeg. Toen geloofden ook de anderen, dat ons drietal zich vergist had en de plotseling opgewekte hoop begon weer in neerslachtigheid te veranderen, die toenam, toen Aerjansz dienzelfden dag gaandeweg minder en minder werd en ieder duidelijk zag, dat hij het wel niet lang meer zou maken.

Te middernacht riep de zieke zijn vriend den „Neushoorn."

Hij had het vreeselijk benauwd en voelde zijn einde nabij.

„Neushoorn" bracht hij er nog met moeite uit: „Als je terug komt... in 't Va-vaderland... groet dan...