Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/135

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
120
HEEMSKERCK OP NOVA ZEMBLA
 

mijn bra... brave moeder van..."

Verder kon de arme man niet komen. Zwijgend knikte zijn vriend hem toe, en een oogenblik later gaf de zieke den geest.

Dat was de tweede dan!

Wie zal de derde wezen? vroeg ieder zich af.

Den volgenden morgen dolven zij een grafkuil in de sneeuw, niet ver van de hut; maar het was zoo vreeselijk koud, dat zij het buiten niet lang konden uithouden en elkaar telkens moesten aflossen.

Toch kregen zij ten laatste nog zeven voet diepte, waar zij hun armen makker in begraven konden.

Het lijk werd op de baar gelegd. Reeds eenmaal had die dienst gedaan. Wie kon zeggen, of ze niet spoedig opnieuw weer noodig zou zijn?

De schipper hield een korte toespraak, waarin hij tot berusting in den wil des Heeren vermaande. Hij durfde nog hopen...

Toen werd door allen een psalm aangeheven, die aan deze hoop uiting gaf... Daarna werd het lijk uitgedragen...

Enkele scheppen sneeuw, toen de doode in zijn kille grafplaats was gedaald... Hiermee was de plechtigheid afgeloopen.

Zwijgend ging men tot den vrookost[1] aan tafel zitten. Ook na het begrafenismaal heerschte er nog zooveel neerslachtigheid, dat geen van allen sprak.

„Dat gaat verkeerd," dacht Barentsz, en om nu toch maar iets te zeggen, begon hij te praten over de groote hoeveelheid sneeuw, die dagelijks viel.

„Ja," zei de schipper; „en dat uitgraven is toch altijd een heel karwei!! We zouden ook eigenlijk best, als we weer ingesneeuwd raakten, door den schoorsteen kunnen klimmen om buiten te komen. Ik wil het dadelijk eens probeeren!"


  1. Begrafenismaal