Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/153

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
136
HEEMSKERCK OP NOVA ZEMBLA
 

dicht bij elkaar en de schipper riep Willem Barentsz toe: „Hoe gaat het er mee?"

„Al wel maat," was het antwoord, „ik hoop nog te loopen vóór we te Wardhuis zijn!" En daarop tot De Veer: „Zijn we bij den IJshoek, Gerrit? Beur me dan eens op. Ik moet dien hoek nog eens zien!"

Nu, daarvoor was gelegenheid genoeg, want zij werden er al dadelijk zoo door het ijs bezet, dat zij er voorloopig blijven moesten.

En den volgenden morgen was het bepaald verschrikkelijk! Ontzettende schotsen kwamen eensklaps aandrijven. In snelle vaart werden de booten meegesleept! Ieder oogenblik kon men vreezen, dat de arme vaartuigjes vergruizeld zouden worden door die reusachtige ijsbrokken.

Reeds achtte men zich verloren. Maar Heemskerck behield zijn gewone kalmte en overzag met een enkelen blik hun toestand.

„Als we maar een touw aan het vaste ijs konden krijgen!" zei de schipper. „Dan konden we daar de schuiten wel bij optrekken en waren we gered."

Maar... wie zou het stuk ten uitvoer brengen? Tien kansen voor één toch, dat men het leven er bij kon inschieten.

„In Godsnaam, het móet!" riep De Veer, en met een tros om zijn middel sprong hij op het drijvende ijs over.

In angstige spanning zien de anderen hem na . . . Wat hangt er ook niet veel van zijn behouden overkomst af! Immers, als hij niet overkomt, dan is alle kans op redding verloren.

Hoe ze de halzen rekken, hoe ze de hand boven de oogen houden om hem na te turen, waar hij beurtelings zichtbaar wordt en weer verdwijnt, terwijl hij onverschrokken van ijsklip tot ijsklip springt.

Vreeselijke spanning waarin ieder verkeert! Ze turen met ingehouden adem, met kloppend hart...