Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/156

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
NAAR HET VASTELAND
139
 

van wel vijftig schreden te sleepen; daarop moesten zij omhoog getrokken en nog eens over een ander ijsbrok gezeuld worden, dat maar éven kleiner was en'tóen pas waren zij weer in behoorlijk vaarwater. En al die arbeid werd verricht door mannen met halfleege magen en verzwakte, uitgeteerde lichamen.

Ze zeilden dan eindelijk weer verder, al kregen zij het onder het voortgaan toch nog voortdurend met het ijs te kwaad. Bij Kaap Troost moesten zij zelfs een halven dag blijven liggen, maar toch kregen zij den 24sten Kaap Nassau reeds in het gezicht.

Toen konden zij weer niet verder.

Het was wel om verdrietig onder te worden; en bij al die ellende begonnen zij ook nog met den dag meer van de scheurbuik, een veel voorkomende ziekte, gekweld te worden.

„Mijn mond doet me toch zoo'n pijn!" zuchtte Jacob. „Ik kan die harde beschuit niet meer eten."

„Och neen," klaagde Sterrenburgh, „met scheurbuik is die harde korst iets verschrikkelijks. En dan, ik zou ook wel eens wat warms in 't lijf willen hebben."

„Dan moesten we maar wat matsommore maken," zei de kok.

„Matsommore, wat is dat?"

„Ja, dat zullen jullie wel zien, als het zoover is. Maar in de eerste plaats hebben we vuur noodig. Wie gaat er mee aan land om te zien, of we wat drijfhout kunnen vinden?"

Nu, vijf man boden zich daartoe aan en een poosje later reeds kwam het zestal met eenig hout weer aan boord terug. Er werd een groote, ijzeren pot met sneeuw te vuur gezet en toen die sneeuw tot water gedooid en dat water eindelijk aan de kook was, zei de kok, dat ieder zijn rantsoen beschuit in den pot moest kruimelen.

„Dat is nu matsommore!" zei hij, toen ze zich allen aan