Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/157

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
140
HEEMSKERCK OP NOVA ZEMBLA
 

de waterpap te goed deden. „Hoe smaakt het mannen?"

Ze vonden het allen overheerlijk en smulden aan het sobere kostje als was het een koningsmaal!

Den volgenden dag kwam er opeens een storm uit het Zuiden opzetten. Het ijs waar zij aan vastgemeerd lagen brak plotseling in stukken, zoodat zij zeewaarts dreven en in duizend gevaren verkeerden, dat zij zouden vergaan.

„Roeien! roeien!" riep de schipper.

Ze roeiden dan uit alle macht, maar het gelukte hun niet, het vaste ijs weer te bereiken.

Toen werd de fok geheschen,—maar de fokkemast van de schuit brak tot tweemaal toe in stukken. Nu haalden zij het groote zeil op, doch daar vloog de wind zoo geweldig in, dat zij stellig omgeslagen of gezonken zouden zijn, hadden zij het niet bijtijds nog neergekregen. Het water toch begon al over boord te komen en stond zoo hol, dat zij niet anders dan den dood voor oogen zagen. Maar zie, onverwachts liep de wind naar het Noordwesten, waardoor zij eindelijk toch nog weer goed en wel aan het vaste ijs kwamen.

De schuit was dus in veiligheid, maar nu miste men de makkers, die in de bok waren. Ze zeilden wel een mijl ver langs het vaste ijs heen, maar vonden ze niet, zoodat ze vreesden, dat de anderen wel verdronken zouden zijn. Intusschen werd het mistig en De Veer's manschappen, hun makkers niet vindend, schoten een musket af, dat onmiddellijk door den schipper werd beantwoord. Zoo kwamen ze gelukkig ten laatste toch weer bij elkander.

Drie dagen later werden zij weer zóó van alle kanten ingesloten, dat zij alle goederen uit de schuiten op het vaste ijs droegen en er toen de vaartuigen zélf ook bij ophaalden.—Twaalf lange dagen zouden zij hier op het ijs moeten doorbrengen.

O, als zij het geweten hadden, het weinigje moed dat