Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/158

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
NAAR HET VASTELAND
141
 

zij nog bezaten was hun stellig geheel ontzonken.

Van de zeilen werd inderhaast op het ijs een tent opgeslagen, waaronder zij zich vermoeid ter ruste begaven.

Te middernacht echter riep Louw Willemsz, die de wacht had, opeens: „Drie beren! drie beren!"

Slaapdronken vlogen zij met hun musketten de tent uit, maar, jammer genoeg, waren hun wapens slechts met hagel inplaats van met kogels geladen, om te allen tijde vogels te kunnen schieten.

Hoewel ze daar de beren nu juist niet bijzonder mee kwetsten, deinsden de dieren toch achteruit, waardoor enkelen gelegenheid hadden, hun musketten van kogels te voorzien.

Een van de brutale gasten werd nu doodgeschoten en de twee anderen namen de vlucht.

's Morgens echter kwamen zij terug, één er van nam den dooden makker in zijn bek en liep er zoo snel hij kon een eind mee weg, waarop zij met hun beiden als uitgehongerd aanvingen, hem op te peuzelen.

Toen vier van de maats een oogenblik later op die plek kwamen, bevonden zij, dat de twee beren hun dooden kameraad al bijna geheel hadden verslonden.

Onder deze en dergelijke avonturen spoedde de maand Juni ten einde en Hooimaand begon.

Nu, die zette zich al heel slecht in, want op den eersten kwamen reusachtige schotsen uit zee zoo vreeselijk aandringen, dat het ijsveld waar zij zich met de schuiten op bevonden, in verscheidene stukken brak en de goederen grootendeels te water raakten.

„Breng eerst de schuiten in veiligheid!" riep de schipper, ziende dat verschillende maats naar de goederen grepen.

Met veel moeite werd nu allereerst de bok wat verder gesleept. Toen gingen zij terug, de eene helft, om de goederen te redden, de andere om de schuit te halen. Maar de moeilijkheden en het gevaar namen toe met