Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/159

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
142
HEEMSKERCK OP NOVA ZEMBLA
 

ieder oogenblik. Als zij hier een pak goed aangrepen, zakte dáár een ander pak weer door het ijs. Zoo duurde het een geruimen tijd, eer er ten laatste nog wat gered was.

Nog minder gelukkig waren de mannen, met het redden van de schuit belast. Nauwelijks toch begonnen zij die voort te sleepen of het ijs brak weg onder hun voeten. Slechts met een haastigen sprong naar voren wisten zij zich nog juist het leven te redden.

Daar stonden zij nu, bleek en bevend van schrik, en angstig zagen zij toe, hoe schollen van allerlei grootte rusteloos op- en over elkander schoven rondom de schuit;... zij hoorden hoe het vaartuig kreunde en kraakte onder de aanpersing van het werkende ijs en—vreeselijkst nog van alles—in dat zoo deerlijk geteisterde vaartuig lag de arme Jan Fransz, die doodziek was!...

Eén oogenblik stonden allen in vertwijfeling! Toen sprongen De Veer en Louw Willemsz. met doodsverachting van schots op schots, waarbij aanhoudend hun leven bedreigd werd. Maar gelukkig, zij slaagden er toch in, den zieke in veiligheid te brengen.

Niemand echter durfde nu nog een poging wagen, om ook de schuit te redden, die door de rusteloos werkende schollen meer en meer gekneusd en gehavend werd.

Eén vaartuig hadden zij dus nu maar over! Arme kerels, wat zou er van hen worden onder die omstandigheid?

Doch plotseling begon het ijs te wijken en ze zagen de schuit goed en wel op een groote schots staan. Zij snelden er nu zoo dicht mogelijk naar toe en met behulp van uitgeworpen touwen wisten zij het gehavende vaartuig naar zich toe te palmen. Toen sleepten zij het over het ijs naar de plaats waar de bok reeds lag.

Moedeloos en mistroostig zaten ze daarna bij de booten