Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/160

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
NAAR HET VASTELAND
143
 

neer, want het bleek dat zij, behalve heel wat koopmansgoederen, een bagage-ton met kleeren en verscheiden levensmiddelen hadden verloren.

Den volgenden dag echter was het mooi weer, waardoor zij weer wat opvroolijkten. Met hun zessen begonnen zij toen de geradbraakte schuit op te timmeren, terwijl de andere zes er op uit gingen om drijfhout en steenen te zoeken.

„Waarvoor zijn die steenen toch, meester Hans?" vroeg Jacob.

„Wel, die stapelen we straks op elkaar op het ijs, om er een vuurtje boven te maken. En dat vuurtje, nu dat moet dienen om de teer te koken, die we tot het herstellen van de schuit noodig hebben."

Ze waren wonder gelukkig op hun tocht, want ze vonden niet alleen steenen en brandstof, maar zelfs een groot stuk hout, dat den gebroken mast zou kunnen vervangen. Voorts een tweetal ijzeren wiggen, waaruit bleek, dat er menschen geweest waren.

Zij brachten dat allemaal ter plaatse waar de schuit lag en wisten toen nog eenige vogels te schieten, waarvan zij smulden als heeren, zooals Jacob het uitdrukte.

De moed was nu weer zoo groot, dat ze met veel ijver aan de schuit konden werken, zoodat die nog vóór den avond gereed kwam.

Den volgenden dag, toen meester Hans en Jacob, die op de vogeljacht waren, aan het water kwamen, riep de scheepsjongen opeens: „O, meester, kijk eens, daar vind ik twee van onze riemen terug!"

„En ik den helmstok van 't roer!" riep de meester.

„En hier is het pak scharlaken!" klonk het weer uit Jacobs mond.

„En hier de koffer met linnen!" juichte meester Hans.

„Kijk, al wéér wat!" riep de jongen verheugd en hij haalde een hoed uit de bagage-ton op. „O, meester, er ligt nog een heeleboel!"