Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/164

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
NAAR HET VASTELAND
147
 

Kruiseiland moeten wachten, toen ze eindelijk tot hun onbeschrijfelijke vreugde weer eens open water zagen. Vol moed werden de booten over een hobbelig ijsveld van wel twee-honderd-en-zeventig passen gesleept, een bijna ondoenlijken arbeid voor die dóór en dóór zwakke mannen. Maar de hoop, dat het nu toch eens voor het laatst mocht zijn, versterkte zoozeer hun zwakke krachten, dat zij doen konden, waartoe zij zichzelf niet in staat hadden geacht.

Eenmaal in open water gekomen, konden zij al dadelijk zeilen, zonder eenige verdere hindernis. Van drijfijs hadden zij heelemaal geen last meer en zij gisten, dat zij een voortgang hadden van wel achttien mijlen in een etmaal.

Door dien ongekenden voorspoed werd aller hart met blijdschap vervuld en ieder was weer zoo goedsmoeds, als hij in geen tijden geweest was. Reeds den anderen morgen kwamen zij den Zwarten Hoek om en 's avonds kregen zij het Admiraliteitseiland in het gezicht, waar zij in den nacht voorbij zeilden.

Hier kwamen zij langs een reusachtige ijsschots met wel tweehonderd... Ja, wàt?

Jacob vroeg het aan meester Hans.

„Dat zijn walrussen, vriendje!" kreeg hij ten antwoord. „'t Is net of ze allemaal dood zijn," zei de jongen. „Er lijkt geen leven in, zoo stil liggen ze. Wacht ..." En meteen wierp hij een stuk hout naar de dieren.

Maar daar had je het lieve leven gaande! Onmiddellijk begaven er zich wel meer dan honderd te water en zwommen regelrecht op de booten af.

„O, wee!" klaagde de verschrikte scheepsjongen, „wat heb ik gedaan, wat heb ik gedaan! Ach meester, nou zal ons laatste uurtje wel gauw geslagen zijn!"

Nu, daar had het dan ook veel van, want verscheidene van de monsters hadden reeds bijna de schuiten bereikt, 't Was voor de schepelingen verschrikkelijk om te zien,

10 *