Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/56

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
IJS, IJS, OVERAL IJS!
49
 

of nooit had die beste moeder haar oudste teruggezien.

Doch làng over het ouderlijk huis voortmijmeren, dat veroorloofde hun toestand niet, want het was werken of kou lijden hier.

Nog aan den avond van dien dag kwamen zij aan de Westzijde van de IJshaven. Maar toen zij 's morgens weer wilden uitzeilen, bleek het schip zóó vast door het drijfijs ingesloten, dat het zich niet verwikken of verroeren kon. Ja, den volgenden dag begon het vaartuig door het aandringende ijs zelfs te kreunen en te kraken, en ofschoon aanhoudend gewerkt werd met koevoeten en houweelen om de op elkaar geschoven schotsen te breken, 't was alles te vergeefsch!

Door een hevigen wind, die van een felle sneeuwjacht vergezeld ging, kwam het ijs den anderen dag nog geweldiger tegen het schip schuiven. Alles begon te knerpen en te barsten wat er aan was, of het arme geperste vaartuig in wel meer dan honderd stukken spleet.

En ach, een dag later was het nog al erger. Van weerszijden drongen toen de ijsmassa's zoo machtig aan, dat „De Volhouder" van voren wel vier voet opgeschoven werd, terwijl van achter het roer met de pen in stukken brak.

Heemskerck, die ieder oogenblik vreesde, zijn schip te zien verbrijzelen, gaf nu bevel, om de sloep en den bok op het ijs te schuiven, teneinde zich bij mogelijken nood te kunnen redden.

Onder het volk heerschte een sombere stemming. Zoolang er te werken viel, hadden zij gewerkt met moed en opgewektheid, maar, weer tot nietsdoen gedoemd, hadden zij allen tijd, om over hun toestand na te denken. En nu begonnen ze zwaarmoedig te worden, die mannen. Want ieder voor zich kreeg vóór en nà de overtuiging, dat zij hier wel niet meer vandaan zouden komen, eer de volgende zomer aanbrak. En—een winter in deze barre poollanden, o, dat moest verschrikkelijk zijn! Want