Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/57

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
50
HEEMSKERCK OP NOVA ZEMBLA
 

nú al liepen zij te klappertanden in hun dikke wollen kleeding. Wat moest het dan wel wezen, als straks de kou zich in alle felheid zou laten voelen?

Een overwintering op Nova Zembla, daaraan had niemand, zelfs Barentsz niet, gedacht. Men was er dan ook volstrekt niet op uitgerust. En toch, ieder had voor zich de overtuiging, dat het daar wel op zou uitloopen, al zei ook niemand er iets van.

Maar eindelijk, toen den 2den September het schip door het aandringende ijs opnieuw begon te kraken en te bersten en omhoog te schuiven, sprak Heemskerck het uit, wat allen reeds lang gevreesd hadden:

„Mannen," zei de schipper, „bereidt je op een groote teleurstelling voor. We hadden allen zoo gehoopt, spoedig het vaderland terug te zien, maar ik vrees, dat het nog lang zal duren, eer aan ons verlangen voldaan wordt.

Gedurende de geheele reis heeft ieder trouw zijn plicht, ja méér dan zijn plicht gedaan en zoo ooit een scheepsbevelhebber reden tot tevredenheid over zijn volk gehad heeft, dan was ik het op onzen moeizamen zwerftocht. De grootste gevaren, den zwaarsten arbeid, niet één heeft ze geschuwd, niet één die lauwheid of onverschilligheid heeft betoond!

Maar hier is alle inspanning vruchteloos. Muurvast zitten we ingemetseld en geen menschenarbeid is in staat, om het schip weer los te werken. Doch heeft de goede God ons aller lot niet in Zijn hand? Laat ons dan vertrouwen op Hem. Hij alleen kan ons hulp en uitkomst geven.

Zware en moeilijke dagen staan ons te wachten, want een overwintering is zoo goed als zeker. Gelukkig bezitten wij in den wakkeren Barentsz een man, die ons met raad en daad kan bijstaan. Is hij niet, meer dan iemand, in deze onherbergzame streken bekend? Was hij tot heden niet onze gids, die ons veilig door onbekende zeeën en te midden van sneeuw- en ijsvelden heeft ge-