Pagina:Heemskerck op Nova Zembla.djvu/60

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd




HOOFDSTUK IV
 

DE HUT VOLTOOID

 

Dienzelfden dag nog, daar het kreunen van het schip bleef aanhouden, gaf Heemskerck bevel, eenigen mondvoorraad aan land te brengen. In geval van nood zouden zij dan tenminste niet dadelijk zonder provisie zijn.

Maar ook nog in een ander opzicht was dit een verstandige maatregel: het volk had nu weer iets te doen, dat voor het behoud van de pas opgewekte stemming alleszins gewenscht was. En de arme kerels waren blij, dat ze met die felle kou de handen weer eens konden uitsteken.

In een ommezien hadden zij dan ook wel dertien tonnen brood, twee vaatjes wijn en nog een heeleboel andere mondbehoeften aan wal.

Dit achtte de schipper voorloopig genoeg.

Ook gedurende de eerstvolgende dagen werd maar af en toe iets aan land gebracht. Ze hadden al zoo vaak in het ijs gezeten en toch ook telkens weer waren zij er uitgeraakt. Was het dan wonder, dat zij in stilte nog altijd bleven hopen, het schip te eeniger tijd weer vrij te zien?

Maar toen het touw te loef, ja zelfs een nieuw kabeltouw, waarmee ze aan 't ijs lagen, glad door midden brak door de geweldige persing van schotsen en schollen; toen, twee dagen later, het vaartuig heelemaal op-