Pagina:HeimansEli1906WandelenEnWaarnemen.djvu/205

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
 

XXXI.

Brieven uit Epen aan de Geul.


 

Wij zijn er.

Gele klei en klotsende beekjes; schaakbordhellingen, bekruind met donker bosch; dat is de allerzuidelijkste grens van ons land.

Diep in het groene dal de driftige Geul, die zijn slangenloop teekent met hooge breedkronige populieren. Langs de rutschbaanwegen overal hellende boomgaarden; de groote vruchtboomen wijd uiteen; roodbonte koeien grazend tusschen de schaduwplekken.

Een mooi land hier en vriendelijke levenslustige menschen, die veel moeite doen, om u in verstaanbaar Nederlandsch toe te spreken; wat aan de meesten wel eenigszins gelukt, vooral bij een Hollander, die een beetje Duitsch en Fransch kent en al eenige dagen verblijf hield in dit belangwekkende uithoekje van ons land.

Hoe zouden de menschen hier ook Nederlandsch leeren; pas drie of vier jaar komen hier zomergasten, de pastoor preekt in het Duitsch. De school doet wel iets voor onze taal, maar kan niet veel doen. 't Geeft een vreemde gewaarwording in Nederland vlak aan den grooten weg boven een kruisbeeld te lezen:

 

Hier starb eines jähen Todes Joseph Klinkers 18 Juli 1903.
Betet für die arme Seele!