Pagina:HeimansEli1906WandelenEnWaarnemen.djvu/231

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
 

XXXIV.

Montjoie in den Eifel.


 

Wat is dat een heerlijk mooi stadje! Laat toch niemand, die naar Zuid-Limburg trekt, verzuimen een dag en een tientje te besteden aan een reis naar Montjoie.[1] De naam en de ligging is al een verlokking en een belofte van mooiheid, maar de verwachting zal overtroffen worden, ik behoef mij heelemaal niet in te toomen, uit vrees te veel te roemen en daardoor kans op tegenvallen te geven. Dat kan eenvoudig niet.

Den eersten keer dat wij er heen gingen, hebben wij 't verkeerd aangelegd. Wij kuierden in de vroegte van Epen door de bosschen en over de heuvels naar Vaals, hebben het Vierlanden-punt uit de verte en per prentkaart bekeken, zijn met de electrische naar Aken gegleden, hebben daar een dag aan Dom, Brunnen, Tiets, Lousberg en Theater gedaan en spoorden daarop in den namiddag van Rheinischer Bahnhof naar Montjoie, dat was te veel op één dag. Ik wist van Montjoie niets, dan wat Eifelführer en Jean d'Ardennes er van zeggen, en dat is niet zoo heel veel; maar Montjoie was voor ons Epenaars de eenige Eifelplaats van naam, die in één dag binnen ons bereik viel.

De spoorreis van Aken duurt met den sneltrein ongeveer anderhalf uur en het uitzicht belooft niet veel. De trein klimt langzaam en geleidelijk tegen het Hooge Ven op en blijft op de hoogvlakte; halfweg ongeveer krijgen we een lief

  1. Sinds 1918: "Monschau" (Wikisource-red.)