Pagina:Het Esperanto.pdf/22

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 22 —

wordt niet meer betwist; maar de moeilijkheid van dit gedacht uit te werken is overgroot. Hetgeen tot stand zou moeten gebracht worden, is ééne eenige woordenlijst dienende voor alle volkeren, maar waarvan ieder volk zou gebruik maken, volgens zijnen eigen geest en zijne geaardheid, juist gelijk elk persoon, zich van de woorden zijner taal volgens zijn eigen vernuft en zijnen eigen aard bedient.

Zou men, tot het opmaken dier woordenlijst, niet kunnen beginnen met vast te stellen, dat eigennamen onvertaalbaar zijn? Het schijnt onnuttig en overtollig aan dezelfde stad drie of vier namen te geven, terwijl haar ware naam deze is, die haar in 't land waarvan zij deel maakt, toegekend wordt. De openbare macht zou de volkeren daaraan kunnen gewennen, met in de openbare stukken geene plaatsnamen meer te vertalen.

(Geteekend) G. S.

Zeker is het dat de schrijver van dit voorstel met de beste meening bezield is. Maar het zal ons toegelaten zin te denken, dat zijne bijdrage tot eene algemeene taal, van dit slag van voortbrengsels is, waarvan wij komen te spreken. Wat de doelmatige woordenlijst aangaat, waarvan daar sprake is, heer G. S. zal met genoegen vernemen dat zij reeds bestaat en dat zijn wensch vervuld is.

Aangezien het er op aan komt de wereld met eene wederlandsche taal te begiftigen, is het klaar dat ze met wederlandsche gronddeelen moet samengesteld worden.

Nu, voor de beschaafde volkeren, het is te zeggen voor deze die het eerste en grootste belang in de zaak hebben, zijn die gronddeelen groot in getal.