Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/28

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

'ik was wèl een pasja'

'veel gepiekerd heeft over de vraag hoe koningin, prinses Wilhelmina zo'n weinig soepele, zo'n baasachtige, zo'n scherpe figuur is geworden. Want dat was zij toch zonder twijfel. Tegenover haar hofhouding, tegenover haar personeel, tegenover de andere gezagsdragers in de staat. Wie anders beweert, heeft haar niet gekend of is een vleier. Zij was zichzelf hier trouwens ook werkelijk wel van bewust. Hoe vaak zei zij ons niet: 'Ik was wèl een pasja', of: 'Ik ben een lastig mens. Altijd geweest.' De eerste keer toen zij het woord 'pasja' gebruikte, vroeg ik haar wat zij er precies mee bedoelde... 'een grote baas, meneer. Iemand die altijd het laatste woord en altijd zijn zin wil hebben. Iemand die de neiging heeft, iedereen te ringeloren. Dat woord kent u toch wel?' Ja, dat kende ik.'[1]

Wij twijfelen er niet aan dat Booy dit kenmerkend gesprek naar waarheid weergegeven heeft. Niettemin halen wij de geciteerde passage met enige aarzeling aan. Zij kan immers licht misverstand wekken. Geen enkele menselijke persoonlijkheid is eenvoudig; die van Wilhelmina is, dunkt ons, heel veel gecompliceerder geweest dan in één zulk een passage tot uitdrukking komt. Ja, wij menen zelfs dat in die passage het wezenlijke niet gezegd en het wezenlijke probleem ook niet aangeduid is. Men lette op wat er staat: 'weinig soepel', 'baasachtig' was zij jegens hofhouding en jegens personeel, jegens 'de andere gezagsdragers in de staat' - maar dat waren altezamen de personen jegens wie zij niet als mens maar als koningin (dat wil zeggen: als een voor onaantastbaar gehouden autoriteit) van meet af aan en voortdurend in een bijzondere relatie stond, een relatie die haar, gegeven haar karakter en taakopvatting en gegeven, opnieuw, het cultuurpatroon van de tijd waarin zij leefde, er toe bracht, het menselijke op de achtergrond te dringen en in de eerste, vaak enige plaats koningin te zijn: de absolute meesteres, het onaantastbare staatshoofd.

Het is voor de meeste mensen, al zijn zij zich dat niet bewust, een zegen dat zij nagenoeg onopvallend hun levensweg kunnen afleggen en dat zij naast een deel van hun bestaan waarin gezagsverhoudingen een rol spelen, een ander deel hebben waarin hun alle ruimte gelaten wordt, zichzelf te zijn: mens naast andere mensen. Vergissen wij ons, wanneer wij stellen dat deze koningin vele tientallen jaren lang geworsteld heeft met het probleem dat voor haar het onopvallende niet weggelegd was, dat in haar bestaan gezagsverhoudingen nagenoeg voortdurend een rol speelden cn dat, met andere mensen vergeleken, de ruimte die haar gelaten werd, zichzelf te zijn, benauwend klein was?

Wij geven in dit hoofdstuk slechts feiten weer die op koningin Wilhel-

  1. A,v., p. 58.

21