Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/32

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

taakopvatting

het grote gezin dat het Nederlandse volk is,... te leiden met vaste, liefderijke hand.'[1] Dat had zij zelf steeds getracht, zulks op het voetspoor vooral van de Vader des Vaderlands, "Willem van Oranje, met wie zij zich sterk verbonden voelde. Als de eerste twee voornamen van haar dochter koos zij dan ook die van 's prinsen moeder, Juliana van Stolberg, en laatste echtgenote, Louise de Coligny, wier vader, de admiraal de Coligny, een van de slachtoffers van de Franse Bartholomaeusnacht, haar speciale verering genoot. De grote gebeurtenissen uit de Tachtigjarige Oorlog en uit het roemrijke tijdperk van de koning-stadhouder waren voor haar geen feiten en jaartallen uit een dor historieboek maar veeleer delen van een levend gebleven actualiteit, '1940 beleefde (zij) als haar 1672'.[2] De grote Oranje's hadden niet gefaald - zij mocht evenmin falen. De ware leidster van haar volk zou zij evenwel slechts dan worden, zijn en blijven, indien van hdar de impulsen uitgingen die het Nederlandse volk in het goede spoor hielden en indien zij het voorbeeld was waaraan dat volk zich zou kunnen optrekken. 'Dat is', zo drukte zij het zelf eens uit,

'de essentie van het koningschap: een voorbeeld voor alle burgers zijn, en dat maakt het juist zo zwaar, omdat je tenslotte ook een gewoon mens bent. Je kunt niet altijd een voorbeeld zijn, maar het moet, en je bent veel schuldiger dan een ander als je het een keer niet bent. Geleerde mensen hebben het over de vorsten als symbolen. Ik weet niet wat dat is, een symbool te zijn. Ik ben in deze dingen het eenvoudige kind gebleven dat van moeder leerde: je moet een voorbeeld zijn en dat altijd, zolang je leeft. Omdat ik dat ernstig heb genomen, was mijn leven zo moeilijk.'[3]

Hoge eisen stellend aan zichzelf, stelde zij niet minder hoge eisen aan anderen, en dan in de eerste plaats aan diegenen die met haar de uitvoerende macht deelden: de ministers van de Kroon. De eerste eis was die van mannelijke moed: staatslieden moesten strijders zijn, pal staande voor hun overtuiging (en liefst dan een overtuiging die met de hare strookte) - op civiel gebied te vergelijken met de krijgsman die zijn leven waagt op het slagveld. Het martiale sprak haar in het algemeen sterk aan. Van de begeerte om 'grote daden' te verrichten, werd zij zich bewust toen zij als zestienjarig meisje in Den Haag de herdenking bijwoonde van de militairen die in de Indische archipel bij de expeditie naar het eiland Lombok gesneuveld waren.[4] Op het ontwerp voor de eerste door haar uit te spreken Troonrede had zij

  1. Aangehaald door Henr. de Beaufort: Wilhelmina 1880-1962, p. 239.
  2. Booy: Het is stil op Het Loo, p. 59.
  3. A.v., p. 28.
  4. Koningin Wilhelmina: Eenzaam maar niet alleen, p. 76.

25