Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/35

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

KONINGIN WILHELMINA

met die enkele aanduidingen tevreden zijn, maar misschien heeft niemand met grotere duidelijkheid dan haar tante de jeugdige koningin voorgehouden hoe zij zich te gedragen had zodra zij haar hoge functie ging uitoefenen. Het was zaad dat op een vruchtbare akker viel.

De voorbereiding op die functie was, wat het bijbrengen van de nodige kennis betrof, niet vrij van een eenzijdigheid waarin het liberale Nederland weerspiegeld werd. 'De werkelijke wereld der arbeiders bleef een gesloten bock voor haar... Zij wist bij haar troonsbestijging meer van het adatrecht der Minangkabauers dan van de rechteloosheid van de arbeiders van Amsterdam.' Omtrent de Gereformeerde Kerken was haar weinig meegedeeld, 'het Réveil was voor haar alleen een Frans woord... Van het actuele Katholieke leven in Nederland was zij eigenlijk wel zo ongeveer onkundig gelaten' - aldus weer Booy.[1] Eens kocht hij antiquarisch Het vergeten hoofdstuk: het over de toestand der arbeiders handelend supplement op het over de vooruitgang juichende boekwerk Een halve eeuw dat ter gelegenheid van Wilhelmina's troonsbestijging verschenen was. Dat vertelde hij haar.

'Ze keek ineens scherp geïnteresseerd en vroeg mij haar de inhoud te vertellen. Ik deed dit en citeerde uit mijn hoofd een en ander. Aan het eind deelde ik mee, dat dit geschrift over de sociale ellende in Nederland een tot haar gerichte open brief was en dat die sloot met de woorden: 'Wanneer allen u vleien, bewieroken, huldigen, maar u de waarheid onthouden, toch is er althans één stem tot u gekomen die u heeft ingelicht.'

Het was daarna een ogenblik stil. Evenwel slechts een ogenblik. Toen was ik getuige van een van de ergste woede-uitbarstingen die ik van de Prinses heb meegemaakt... Haar bewoordingen zal ik niet weergeven... De zakelijke inhoud was: ze hebben me alleen dat officiële gedenkboek gegeven, die aanvulling is me toegestuurd, natuurlijk, maar die hebben de heren achtergehouden.'[2]

Anders dan Booy zijn wij geneigd, in die uitbarsting ook een element van onbewust zelfverwijt te zien. Moest men nu waarlijk Het vergeten hoofdstuk gelezen hebben om iets te bevroeden van de levensomstandigheden der arbeiders? Had de koningin niet vaak genoeg als kind in gezelschap van de regentes door de arme wijken der grote steden gereden? Die vragen stellend, willen wij overigens niet ontkennen dat niets haar, door de verhoudingen van de tijd, moeilijker gevallen is dan te worden waar haar hart naar dorstte: koningin van het gehele volk.

Zij heeft er meer dan veertig jaar op moeten wachten.

  1. A.v., p. 188.
  2. A.v., p. 131-132.

28