Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/36

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


 

Koningin der Nederlanden


Wij hebben in het voorafgaande weergegeven, hoe koningin Wilhelmina het koningschap opvatte. Maar hoe heeft zij het uitgeoefend? 'Uit ondervinding weten het ten onzent slechts weinigen, en dezen zwijgen er over' - wij haalden Struyckens, uit 1909 daterend woord al aan. Wilhelmina zelf heeft dat zwijgen in het publiek nimmer doorbroken, haar ministers hebben, op een enkele uitzondering na, hetzelfde gedaan. Binnenskamers is meer losgelaten, soms ook belangrijk meer aangetekend. In de Herinneringen van jhr. de Jonge troffen wij er al een voorbeeld van aan.

Met die voorbeelden moet men uiteraard voorzichtig zijn: perioden van goede samenwerking blijven niet in het geheugen hangen en worden meestal door de betrokkenen ook niet vermeldenswaard geacht - wèl de conflicten. Zou men zich dan uit een jarenlang onderzoek in de archieven der departementen en in het archief van het kabinet der koningin een adequaat beeld kunnen vormen van hetgeen de koningin strikt persoonlijk tot het tot stand komen van het regeringsbeleid bijgedragen heeft; Wij betwijfelen het. Daargelaten of alle stukken bewaard gebleven zijn (veel van de hare heeft zij, tot in haar laatste levensdagen, zelf vernietigd of door anderen laten vernietigen), moet wel aangenomen worden dat haar invloed juist tot gelding kwam in persoonlijke contacten die geen enkele schriftelijke neerslag nagelaten hebben.

Wat was haar bevoegdheid?

Wij willen uitgaan van de eed die zij bij haar inhuldiging aflegde. Trouw zwoer zij toen aan de Grondwet en aan de overige wetten des rijks. Zij kon niet in feller woede ontsteken dan wanneer een der ministers haar meende te moeten verwijten (een verwijt dat jhr. de Jonge op schrift vastlegde en wellicht ook mondeling uitte), dat zij inconstitutioneel gehandeld had. M. W. F. Treub, een van haar ministers uit de eerste wereldoorlog, maakte eens in een audiëntie een opmerking waaruit, schreef hij, de koningin 'ten onrechte afleidde, dat ik haar verdacht, voorstandster te zijn van een verlicht despotisme. Ik kreeg toen de wind van voren en had heel wat moeite haar te overtuigen, dat zij mij verkeerd begrepen had.'[1] Andere ministers hadden wel eens overeenkomstige ervaringen. De in de Amsterdamse Nieuwe Kerk afgelegde eed was Wilhelmina heilig. Maar daaraan dient

  1. M. W. F. Treub: 'Een persoonlijk woord', artikel in de Nieuwe Rotterd. Crt. bij het vijf-en-twintigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina, herdrukt in hetzelfde blad, 28 nov. 1962.

29