Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/37

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

KONINGIN WILHELMINA

toegevoegd, enerzijds, dat het handelen overeenkomstig die eed voor haar ('iemand die altijd het laatste woord en altijd zijn zin wil hebben') vaak een moeilijke zelfoverwinning betekende, anderzijds, dat het belangrijkste artikel dat de Grondwet nopens de verhouding tussen de koning en de ministers bevat, niet meer zegt dan dat de eerste onschendbaar is en de laatsten verantwoordelijk zijn. Dat betekent, gelijk al betoogd, dat de uitvoerende macht (koning en ministers) naar buiten als eenheid dient op te treden - een eenheid waarbij de verdediging van het te voeren beleid uitsluitend aan de ministers toevalt. Maar de bepaling van dat beleid? Is de koning niet meer dan het 'ornament' waar van Houten van sprak, niet meer dan (wij citeren enkele andere opvattingen uit het einde van de regeringsperiode van Willem III) 'een kegeljongen die telkens de kegels opzet en afroept wie het spel wint, maar die zelf niet meespeelt' of 'de klokopwinder van het staatsuurwerk dat, buiten hem om, vóór of achter loopt'?[1] Nonsens. De constitutionele koning is volledig bevoegd, binnen de grenzen van de ministeriële verantwoordelijkheid zijn invloed tot gelding te brengen. Hij kan een ledepop zijn of worden, maar niets verplicht hem daartoe. Geen enkel wetsvoorstel, geen enkel koninklijk besluit behoeft hij automatisch te ondertekenen. Hij kan bezwaren opperen of anderszins aansporen tot heroverweging. Hij heeft, in de befaamde formulering van Queen Victoria's tijdgenoot Walter Bagehot, drie rechten die zijn persoonlijke mogelijkheden om in te grijpen en zijn persoonlijke mede-verantwoordelijkheid onderstrepen: het recht om aan te moedigen, het recht om te waarschuwen, het recht om geraadpleegd te worden. Wij zijn geneigd, dat derde recht het belangrijkste te achten en het in elk geval te beschouwen als de basis van de beide andere: want wat zijn aanmoedigingen, wat zijn waarschuwingen waard als zij niet op deugdelijke inlichtingen berusten en hoe kan de koning die inlichtingen krijgen als hij niet geraadpleegd wordt!

Het loont de moeite, een blik te slaan op de Engelse praktijk. Toen Engeland in 1924 zijn eerste Labourkabinet kreeg, liet koning George V ten behoeve van de nieuwe premier, Ramsay MacDonald, een memorandum opstellen met betrekking tot de regels die voor het samenspel tussen koning en ministers golden. Wij willen slechts de belangrijkste weergeven. Was het Lagerhuis in zitting bijeen, dan diende de koning dagelijks bericht tc ontvangen betreffende het verhandelde; elke kabinetswijziging vergde de goedkeuring van de koning, zo ook elke publieke

  1. Aanhalingen bij T. Sybenga: De Grondwet van 1887 toegelicht, ook in verband met de praktijk (1894), P- XXI.

30