Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/44

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

EEN DISCUSSIE IN 1907

Majesteit zich eens in gelijke zin tegen hem had uitgelaten, waarop hij had geantwoord: dat kan ik niet geloven, want daarvoor heeft Uwe Majesteit Land en Volk veel te lief.'[1]

Acht dagen later, op 26 februari, volgde een tweede onderhoud tussen de koningin en de voorzitter van de Tweede Kamer. Weer kwam de afschaffing van het 'blijvend gedeelte' ter sprake:

'Hare Majesteit verklaarde mij, dat Zij in geweten bezwaard was daartoe over te gaan, omdat Hare Majesteit wist dat het uiterst nadelig was voor het leger... Wanneer ik dat ontwerp dus indien, zo zeide Hare Majesteit, dan toon ik immers dat ik goedkeur wat ik afkeur. Meer dan drie-kwart uur lang onderhielden wij ons toen over de positie van de vorst in de Constitutionele Staat. Ik trachtte Hare Majesteit te overreden dat Hare Majesteit volkomen gelijk zou hebben om geen[2] wet in te dienen, die streed met Hoogstderzelver godsdienstige of zedelijke overtuiging bv. zei ik: als men Hare Majesteit een wetsontwerp wilde laten indienen tot legitimering van het vrije huwelijk... Maar hier geldt het toch een waardering of het blijvend gedeelte al dan niet nodig is; een mening, door sommigen bevestigend, door anderen ontkennend beantwoord.

Wanneer Hare Majesteit dus een daartoe strekkend ontwerp aan de StatenGeneraal aanbiedt, doet Hare Majesteit niet anders dan te verklaren: ik wens het oordeel der Staten-Generaal omtrent dat denkbeeld mijner regering te vernemen. Ook is het waar, dat Hare Majesteit na de laatste grondwets-herziening zelfs bevoegd is om het wetsontwerp weder in te trekken ook als de Tweede Kamer het heeft aangenomen (art. 116) en de ondertekening te weigeren ook als de Eerste Kamer reeds het ontwerp heeft aangenomen.[3] Niet om zulks aan Hare Majesteit aan te raden . . . Hare Majesteit verklaarde daarop nog eens over deze quaestie te zullen nadenken.'[4]

Welnu, dat laatste deed zij. Op 1 april werd Röell opnieuw door haar ontvangen. Er ontstond een gesprek van bijzondere betekenis.

'Hare Majesteit verklaarde er prijs op te stellen mij uitdrukkelijk te berichten dat Hare Majesteit omtrent het 'blijvend gedeelte' allerminst van gedachte was veranderd, dat Hare Majesteit echter had gemeend tegen de indiening van een wetsontwerp, daar het ministerie zulks wenste, geen verder bezwaar te moeten

  1. J. Röell: Aantekeningen betreffende de kabinetscrisis (febr. 1907), tweede nummering, p. 22-23.
  2. In de tekst staat 'een'.
  3. Art. 116 van de Grondwet van 1887 luidde: 'Zolang de Eerste Kamer nog niet heeft beslist, blijft de koning bevoegd het door hem gedaan voorstel weder in te trekken.' Art. 121 luidde: 'De koning doet de Staten-Generaal zo spoedig mogelijk kennis dragen, of hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt.'
  4. J. Röell: Aantekeningen betreffende de kabinetscrisis (febr. 1907), p. 18-19.

37