Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/109

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
97
DE ROL DER HONIGKLIERTJES IN DE BLOEMEN.


pels bewogen worden; hoogstens vallen zij soms in klompjes op het bloemblad onder hen neer, om ook hier weer vast te kleven. De geheele bouw der bloemen wijst er dus op, dat er een ander middel voor het overbrengen van het stuifmeel op de stempels noodig is. Dit middel zijn de insekten, en wel voornamelijk de hommels, die men zoo talrijk en zoo veelvuldig op deze bloemen kan zien vliegen en zoo groote hoeveelheden stuifmeel uit en in de bloemen ziet brengen, dat het schijnt alsof zij alleen met de bestuiving der Irissen belast zijn. De hommels gaan hierbij op de volgende wijze te werk. Zij vliegen op de afwaarts gebogen of horizontaal uitstaande bloembladen aan en zetten zich daar neder. Op deze bevinden zich nu anders gekleurde lijnen, of lijsten van fraaie haren, of zelfs een dichte kam van franjeachtige aanhangselen van sterk in 't oog vallende kleur, die allen naar de opening van het kanaal samenloopen. Door deze wegwijzers geleid, vindt de hommel bijna oogenblikkelijk den wijd geopenden ingang, steekt nu den bij het vliegen saamgevouwen zuiger zoo ver mogelijk uit, en begint in het kanaal te kruipen. Hij dringt zich tusschen het bloemblad en het daarboven staande stempelblad zoo ver in, als noodig is om den honig te bereiken, en terwijl hij dezen opzuigt, moet hij natuurlijk steeds dieper en dieper in het kanaal indringen, om eindelijk ook de laatste druppels van den honig te verzamelen. Hierbij strijkt hij met de haren op kop en rug langs den meeldraad, en het kleverige stuifmeel blijft voor een groot deel daartusschen zitten. Vooral zal dit het geval zijn op het oogenblik dat het insekt weer teruggaat, daar dan de haren met de punt naar voren bewogen worden en dus al het stuifmeel uit den wijd geopenden meeldraad zullen uitborstelen.

Komt nu dit stuifmeel terstond op den stempel? Geenszins. Wij hebben toch gezien dat deze aan zijn onderkant door een lipje bedekt is, en al stond dit lipje kort voor het bezoek van den hommel ook open, de rugwaartsche beweging van het diertje drukte het weer toe, en geen enkele stuifmeelkorrel kan de klevige stempelvlakte bereiken. Een eerste bezoek veroorzaakt dus nog geen bestuiving. Doch gaan wij na wat er verder ge-