Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/110

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
98
DE ROL DER HONIGKLIERTJES IN DE BLOEMEN.


schiedt. Geheel met stuifmeel bedekt, verlaat de hommel het bezochte bloemblad, om naar het tweede bloemblad derzelfde bloem te vliegen. Hier gaat hij op volkomen dezelfde wijze te werk. Terwijl hij in het kanaal indringt, schuift hij met zijn rug tegen het lipje van den stempel aan en drukt dit daarbij natuurlijk naar achteren. Daardoor wordt de stempelvlakte ontbloot, en komt deze in aanraking met de stuifmeelkorrels op den rug van het dier, die er in grooten getale aan blijven kleven. En er is geen gevaar, dat zij er bij het teruggaan van het insekt weer van afgeborsteld worden, want daarvoor zorgt het lipje, dat bij de minste teruggaande beweging weer tegen den stempel aangedrukt wordt, en dus de eenmaal opgenomen stuifmeelkorrels beschut. Van hier vliegt nu de hommel naar het derde honig bereidend kanaal der bloem, om vervolgens naar een tweede bloem over te gaan en zoo zijn arbeid te herhalen, totdat hij honig genoeg verzameld heeft om dezen naar zijn nest te brengen.

Niet alle Irissen worden door hommels bestoven. Van onze inlandsche soort kent men twee constante vormen, die, in uiterlijk volkomen aan elkander gelijk, alleen verschillen in de soorten van insekten door welke zij bestoven worden, en in een paar kleine bizonderheden harer bloemen, welke daarop betrekking hebben. Wanneer men de zooeven gegeven schets van het bezoek der Irissen door hommels begrepen heeft, is het duidelijk dat alle insekten, die kleiner, en vooral minder hoog van lichaam zijn dan de hommels, in de bloemen kunnen indringen en den honig kunnen bereiken, zonder dat zij daarbij het stuifmeel en den stempel met hun rug aanraken, en dus zonder dat zij iets tot de bestuiving bijdragen. Het bezoek van zulke insekten is voor de Irissen dus alleen schadelijk, en daar deze dieren tegelijk meestal veel minder oefening in het opsporen van honig hebben, is de verscholen plaats van den honig bij de Irissen van groot belang, omdat daardoor een al te talrijk bezoek dezer nuttelooze gasten wordt tegengegaan. De afwijkende vorm van Irisbloemen, dien ik zooeven bedoelde, verschilt nu eenvoudig daarin van de reeds beschrevene, dat zijn stempelbladen zoo dicht tegen de bloembladen aanliggen,