Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/128

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
116
BESTUIVING VAN KLEINBLOEMIGE


duitsch geleerde, aan wien wij een zeer groot deel van onze kennis op dit gebied te danken hebben. Hooren wij hoe reeds door hem deze bloemen en hare bestuiving door de insekten beschreven werden: "De sapklier is het bovenste deel van het vruchtbeginsel, en onderscheidt zich door haar meest witte, soms gele kleur van het vruchtbeginsel zelf, dat groen is. Ook door hare gladde, glanzende oppervlakte verschilt zij van het meest behaarde vruchtbeginsel in 't oog loopend. De afgescheiden honig blijft op de klier hechten, ligt dus aan de vrije lucht en is door niets tegen den regen beschermd.

Dit schijnbare nadeel is echter in waarheid niet zoo groot. Want ten eerste is de honig niet voor bijen en hommels bestemd, die ten opzichte der bloemsappen zeer kieskeurig zijn en een met regenwater vermengden honig versmaden, daar zij steeds uit andere, beter gedekte bloemen een onvermengd sap weten te krijgen. De honig der schermbloemen is voornamelijk voor vliegen en andere minder edele insekten bestemd. Daar deze te dom zijn, om den in andere bloemen diep verborgen en tegen regen beschutten honig op te sporen, hebben zij ook niet zulk een fijnen smaak als de bijen en hommels, en zijn in de keus van hun voedsel minder angstvallig, maar nemen ook een door regen bedorven honig voor lief. Vele onder hen zijn zelfs zoo dom, en hebben een zoo weinig fijnen smaak, dat zij dikwijls een regendruppel, die buiten op een bloem ligt, voor honig houden, en zich dien goed laten smaken, terwijl binnen in dezelfde bloem een bij of hommel den diep verscholen honig voor den dag haalt. Ook uit een ander opzicht is de schade door regen aangebracht minder groot. Want ook de regendruppels, die op de schermen gevallen zijn, liggen aan de vrije lucht en zullen dus spoedig kunnen verdampen, ja, de lichte bewegelijkheid der schermen op hunne lange steelen zal bij den minsten wind allicht de zware druppels doen afschudden, zoodat de klieren dan ongehinderd nieuwen honig kunnen bereiden.

"Stonden de bloemen alleen, zoo zouden zij door hare kleinheid den insekten weinig in de oogen vallen. Nu zij echter tot groote schermen vereenigd zijn, kunnen zij door deze diertjes