Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/131

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
119
PLANTEN DOOR INSEKTEN.


buitenste bloemen zonder nut verloren gaat, bestaat er een tweede afdeeling van samengesteldbloemigen, waar dit gevaar op eenvoudige wijze vermeden is. Hier toch worden de bedoelde meeldraden eenvoudig niet ontwikkeld: de buitenste bloemen bezitten slechts een stamper. Tot deze afdeeling behooren bijna alle planten met bloemhoofdjes, wier buitenste bloemen anders gevormd en gekleurd zijn dan de binnenste. Als voorbeelden haal ik het Madeliefje, de Ganzebloem (fig. 54), de Kamille, de Cineraria's en de Asters aan. Bij de Goudsbloem is de natuur nog zuiniger: hier zijn in de buitenste, lintvormige bloemen slechts de stampers, in de binnenste of buisvormige bloemen slechts de meeldraden ontwikkeld. Dientengevolge bloeien stempels en meeldraden van een hoofdje gelijktijdig, en kan er dus bij elk insektenbezoek bestuiving der eersten plaats vinden. Wij kunnen dus, min of meer overdrachtelijk, zeggen dat de Goudsbloem onder hare soortgenooten, de samengesteldbloemigen, een der meest volkomen vormen is. Want terwijl het beginsel van weglaten van overtollige organen bij de Paardebloem en hare verwanten in 't geheel niet, en bij de meeste overige vormen slechts éénzijdig doorgevoerd is, vinden wij bij haar alleen zoowel de overtollige meeldraden als ook de overtollige stampers weggelaten, of juister gezegd zoo goed als niet ontwikkeld.

Ik breek hier af. Het aangeroerde onderwerp is zoo aanlokkend, dat het mij anders veel te ver zou voeren. Gemakkelijk toch zou men aan de hier besproken feiten, die iedereen zonder moeite met eigen oogen kan waarnemen, uitvoerige beschouwingen omtrent het ontstaan der soorten kunnen vastknoopen. Even zeker als het is, dat de Goudsbloem van voorvaderlijke vormen afstamt, die èn tweeslachtige èn vrouwelijke bloemen hadden, en dat deze weer de nakomelingen waren van soorten met alléén tweeslachtige bloemen, even gemakkelijk zou het zijn, door een reeks van tusschenvormen en dooreen uitvoerige beschouwing van hunne inrichtingen voor de bestuiving door insekten, de oorzaken van deze trapsgewijze veranderingen te schetsen. Doch de afstammingsleer is een te belangrijk en aan de meesten mijner lezers nog te weinig bekend