Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/133

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
121
PLANTEN DOOR INSEKTEN.


sterk door insekten bezocht worden. Dienovereenkomstig hebben de eersten zelfbestuiving, de laatstgenoemden meest niet.

Men kan zich gemakkelijk door rechtstreeksche proeven van de zelfbestuiving en haar bevruchtende werking bij kleinbloemige planten overtuigen. Men behoeft ze daartoe slechts onder een gazen stolp, of in eenige, voor insekten ontoegankelijke ruimte te laten bloeien. Men zal dan zien, dat zij ook zonder die hulp vrucht zetten.

Hoogst eigenaardig is de inrichting, waardoor sommige saamgesteld-bloemige planten zichzelf kunnen bestuiven, zoo zij niet door insekten bezocht werden. In fig. 57 I en L ziet men hoe de stijl in twee vrij lange stempels uitloopt. Van deze is nu alleen de bovenzijde kleverig en geschikt om het stuifmeel te ontvangen. De onderzijde der stempels, die, toen de stijl door het kokertje der meeldraden drong, buitenzijde was, is voor de bevruchtende werking van het stuifmeel ongeschikt; wat niet belet dat zij bij de genoemde beweging geheel met stuifmeelkorrels beladen wordt. Bezochten insekten de bloemen, zoo zijn deze los aanklevende korrels weggenomen, doch zijn ook de stempels zelven bestoven. Bezochten echter geen insekten de bloem, zoo is de buitenzijde nog steeds vol met stuifmeel, dat daar geen werking kon uitoefenen. Nu krommen zich de stempels al sterker en sterker, en rollen zich eindelijk als een winding van een horloge-veer ineen. Daarbij raakt de top met zijn kleverige zijde den bovenkant van het laagste deel des stempels aan, en neemt daardoor de daar hangende stuifmeelkorrels op. Eenmaal in het stempelvocht gekomen, kunnen deze hun stuifmeelbuis gaan vormen, en is de bevruchting dus verzekerd. Wij zien hier dus zeer duidelijk, dat de plant streeft naar bestuiving door insekten, welke het stuifmeel der eene bloem op den stempel der andere brengen, dat zij echter, zoo dit doel niet bereikt wordt, aan zelfbestuiving de voorkeur geven boven geheel gemis van bestuiving. Zelfs kleinbloemige planten met vrij aanzienlijke bloemhoofdjes bezitten deze inrichting voor het geval van nood. Zoo kan men b.v. zeer gemakkelijk de hier beschreven bizonderheden zelf bij de gewone Paardebloem waarnemen.