Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/142

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
130
DE BESTUIVING VAN BLOEMEN DOOR DEN WIND.


Aan planten met stuivend stuifmeel vindt men beschuttende omhullingen der meeldraden slechts tot op den tijd dat de laatsten beginnen te bloeien. Dan toch moeten zij vrij aan weer en wind blootgesteld zijn. Dit is een van de oorzaken waarom de bloembekleedselen hier steeds klein en nietig zijn. Vele planten bezitten nog een bizondere eigenschap, wier doel is, de meelknopjes in hun jeugd binnen de beschermende omhulsels te houden, en ze tijdens hun bloei ver boven deze te verheffen. Ik bedoel een plotselingen, aanzienlijken groei der meeldraden, kort voor het openspringen der knopjes. Men kan dit bij onze grassen, bij den hennip, den eik, den iep, en talrijke andere planten zeer duidelijk opmerken. De meeldraden strekken zich snel, en worden tot haardunne draadjes, aan wier top, ver boven de schubachtige bloembekleedselen, de rijpe stuifmeelknopjes los en bewegelijk opgehangen zijn. Het vrij wordende stuifmeel toch moet door de luchtstroomen snel weggevoerd, en door deze naar de stempels overgebracht worden.

De natuur van dit transportmiddel heeft ten gevolge, dat slechts een zeer klein gedeelte van het ontstane stuifmeel werkelijk op de stempels komt, en het is onvermijdelijk, dat verreweg het grootste deel op allerlei andere plaatsen afgezet wordt en dus verloren gaat. Ware de hoeveelheid stuifmeel slechts klein, zoo zou onder deze omstandigheid de bestuiving der stampers zeer twijfelachtig worden, en om deze onzekerheid te voorkomen, bestaat er geen ander middel dan de productie van groote hoeveelheden van het stuivende poeder.

In vergelijking met andere planten is hier dan ook de hoeveelheid stuifmeel enorm groot. Door den minsten stoot kan men uit de mannelijke katjes van den Hazelaar, den Els, den Okkernoot en vele anderen groote wolken stuifmeel te voorschijn laten treden; en van de bloeiende takken onzer naaldboomen komt een zoo groote massa van stuifmeel, dat de grond in de omgeving van bloeiende dennebosschen niet zelden als met zwavelbloem bedekt en geheel geel schijnt. In den zomer van het jaar 1872, tijdens den bloeitijd der dennen zag