Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/149

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

137

HET ONTSTAAN VAN VRUCHTEN EN ZADEN.



knoppen bereiken. Bij groote verwantschap eindelijk kan het ook de eicel bevruchten. In dit geval heeft de bastaardbestuiving een bastaardbevruchting ten gevolge. Iedereen weet, dat, als de zoo ontstane zaden rijp worden, de planten die uit hen groeien den naam van bastaarden dragen, en in hare kenmerken gewoonlijk het midden houden tusschen de beide soorten van welke zij afstammen. Deze bastaardbevruchting is zoowel in de vrije natuur, als vooral in de horticultuur een zeer gewoon verschijnsel. Aan haar hebben wij de talrijke vormen te danken, waarin sommige tuinplanten gekweekt worden, als b.v. de rozen, Geraniums, Calceolaria's, aardbeziën enz. In ons volgend hoofdstuk zullen wij deze bastaarden uitvoerig behandelen; thans hebben wij onze oplettendheid slechts te richten op de veranderingen, die het zoo bestoven vruchtbeginsel zelf ondergaat.

Keeren wij tot ons eigenlijk onderwerp terug. Allicht zal menigeen geneigd zijn, zich den invloed der bestuiving op de vruchtvorming op een zeer eenvoudige wijze voor te stellen. Men hoort dikwijls de meening uitspreken, dat de ontwikkeling der vruchten eenvoudig het gevolg is van de ontwikkeling der zaden, terwijl deze rechtstreeks aan de bevruchting is toe te schrijven. Men herinnert daarbij aan andere overeenkomstige gevallen, b.v. dat een bloemsteel in leven blijft, zoolang de bloem of de vrucht aan haar top zich ontwikkelt, doch afsterft, zoodra deze afgesneden is. Of wel aan het feit, dat stammen en takken van boomen slechts zoo lang in leven blijven, als zij nog knoppen of bebladerde twijgen dragen, of ten minste nieuwe knoppen kunnen doen uitbotten; want berooft men een tak voortdurend van zijn bladen en knoppen, zoo zal hij weldra sterven. Het is echter volstrekt niet zoo zeker, dat men de ontwikkeling eener vrucht met dergelijke gevallen vergelijken mag. Integendeel, wij zullen weldra talrijke bewijzen leeren kennen, die ons aantoonen dat hier veel ingewikkelder verschijnselen in het spel zijn. Onder deze noem ik hier, als de meest in 't oog loopende, de looze vruchten, die toch wel nooit aan den groei der zaden kunnen worden toegeschreven.