Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/150

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
138
HET ONTSTAAN VAN VRUCHTEN EN ZADEN.


In gevallen, waarin bestuiving bevruchting ten gevolge heeft, zal men niet kunnen beslissen, of de eerste, dan wel de laatstgenoemde werking de ontwikkeling der vrucht veroorzaakt. Hierop komt echter een merkwaardige en voor onze beschouwingen zeer belangrijke uitzondering voor. Ik bedoel het geval, waarin het opzwellen der vrucht reeds begint voordat de stuifmeelbuizen de zaadknoppen bereikt hebben, en dus voordat de bevruchting plaats vindt. Hier kan men zeker zijn, dat deze groei der vrucht niet het gevolg der bevruchting is. Dit geval verdient in de eerste plaats besproken te worden. Het schoonste voorbeeld leveren de Orchideeën. De merkwaardige inrichting der bloemen van deze planten hebben wij reeds op blz. 60 en volgende beschreven en door afbeeldingen toegelicht, zoodat wij daarop niet behoeven terug te komen. Thans willen wij onze aandacht vooral op haar vruchtbeginsel vestigen. In fig. 32 doet dit zich als een gebogen en gedraaid steeltje voor, waarmede de bloem aan den daar slechts voor een klein gedeelte afgebeelden stengel bevestigd is. Snijdt men dit vruchtbeginsel open, nadat de bloem bestoven en uitgebloeid is, zoo treft men er een overgroote menigte stoffijne zaadjes in aan, die, wanneer de vrucht rijp is, zich als een fijn poeder van bruine kleur voordoen. Opent men het vruchtbeginsel echter tijdens den bloei der bloem, zoo treft men er geen zaadknoppen in aan, gelijk in de bloemen van andere planten, doch slechts kleine verhevenheden langs de zaadlijsten, die bij nader onderzoek blijken de allereerste ontwikkelingstoestanden van zaadknoppen te zijn. Van de beide zaadhuiden, van een kiemzak en een eicel, in één woord van al die deelen der zaadknoppen, die wij in ons eerste hoofdstuk leerden kennen, is hier nog niets te zien.

Zoo is de toestand van het vruchtbeginsel der meeste Orchideeën tijdens den bloei. Van eene bevruchting kan nog geen sprake zijn, daar juist datgene, wat bevrucht moet worden, de eicel, nog ontbreekt. Men zou nu kunnen meenen, dal de jonge zaadknoppen tijdens den bloeitijd eenvoudig verder groeiden, en dat wij ze zoo even slechts onvolkomen gevonden hadden, omdat wij een te jonge bloem gekozen hadden.