Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/153

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

141

HET ONTSTAAN VAN VRUCHTEN EN ZADEN.



bevruchting plaats, en na eenige weken verwelkt het nog onrijpe, geheel looze vrachtje, en valt af. Op dezelfde Salepplant heeft het stuifmeel van Orchis Morio veel geringer werking: de buizen dringen wel in den stempel, doch niet in de vruchtholte in, en de zaadknoppen ontwikkelen zich dienoverkomstig slechts halverwege. Iets gunstiger werkt stuifmeel van Listera ovata; ofschoon haar stuifmeelbuizen ook slecht een zeer onvolledige ontwikkeling bereiken, zoo bewerken zij toch een volledige vorming der zaadknoppen. Doch tot bevruchting brengen ook zij het niet. Omgekeerd vormde stuifmeel dierzelfde Listera ovata op den stempel van het vogelnestje, Neottia Nidus avis, zeer lange buizen, zonder eenigen invloed op de ontwikkeling der zaadknoppen uit te oefenen. Het zou gemakkelijk zijn deze voorbeelden nog met talrijke andere gevallen te vermeerderen.

In al deze gevallen zien wij dus, dat de ontwikkeling der zaadknoppen, en de aanzwelling der vrucht, afhangen van de bestuiving, en geschieden vóór de bevruchting. Al naar gelang van het gebruikte stuifmeel is die ontwikkeling meer of minder volledig, doch zonder stuifmeel vindt zij niet plaats. Terwijl echter het stuifmeel van de meeste inlandsche Orchideeën op den stempel van de meeste anderen een grooteren of geringeren prikkel tot verderen groei geeft, vindt bevruchting, en dus de vorming van rijpe zaden uitsluitend bij bestuiving met dezelfde soort, en slechts in weinige gevallen ook tusschen zeer nauw verwante soorten, plaats.

Nog een ander voorbeeld moge hier vermeld worden. Het betreft de algemeen bekende koekoeksbloemen (Lychnis diurna.) Het is een algemeene regel, dat de bloembladen na de bestuiving spoedig verwelken en afvallen; wij hebben hiervan in ons eerste hoofdstuk blz. 17 reeds een voorbeeld beschreven. Dit verwelken der bloemkroon volgt nu in het algemeen des te spoediger op de bestuiving, naarmate deze krachtiger op het vruchtbeginsel inwerkt. Dus bij normale bestuiving in den regel vroeger dan bij bastaardbestuiving. Ja men kan uit het vroegere of latere verwelken der bloemkroon in den regel met zekerheid afleiden, of de bestuiving bevruchting tengevolge