Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/154

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

142

HET ONTSTAAN VAN VRUCHTEN EN ZADEN.



gehad heeft of niet. Eenige voorbeelden mogen dit ophelderen. Bestuift men de stempels der koekoeksbloem, zoodra ze kleverig geworden zijn, met stuifmeel derzelfde soort, zoo verwelken de bloembladen in 8 - 10 uur; bestuift men den stempel der roode koekoeksbloem met stuifmeel der witte, zoo duurt het 10—12 uur, eer de bloembladen verwelken; kiest men stuifmeel van Cucubalus viscosus, zoo wordt dit tijdsverloop 12—15; met stuifmeel van Silene gigantea 15—18; van Cucubalus pilosus 24—30 uren. Neemt men hiertoe stuifmeel van Agrostemma coronaria, Lychnis flos Cuculi, of Cucubalus Behen, zoo duurt het 2, 3 of 4 dagen voordat de bloembladen verwelken. En bestuift men de stempels in het geheel niet, zoo kan de bloem omstreeks 8—10 dagen frisch blijven. Wanneer men bij deze proeven ook de stempels nagaat, zoo zal men zien, dat deze eveneens des te vroeger afsterven, naarmate het stuifmeel beter inwerkt; in het eerstgenoemde, gunstigste geval verwelkt de stempel na ½ uur, in de laatste der opgesomde proeven eerst na 5 uren. Van al deze bestuivingen geven slechts die met het eigen stuifmeel, en met het stuifmeel der witte soort in het vruchtbeginsel der roode koekoeksbloem aanleiding tot de vorming van rijpe zaden en vruchten.

Na deze uitvoerige beschrijving van enkele voorbeelden kunnen wij er toe overgaan, in korte termen een algemeen overzicht van de verschillende gevallen te geven, die zich bij de bestuiving voordoen. Al deze gevallen laten zich tot een reeks samenvatten, waarvan volkomen bevruchting en geheele afwezigheid van invloed van het stuifmeel de beide uitersten zijn. Daartusschen komen ongeveer alle denkbare overgangen voor. Slechts enkele daarvan wensch ik aan te stippen. De eerste en geringste graad van werking van het stuifmeel bestaat daarin, dat alleen het vruchtbeginsel, met den kelk, als deze blijvend is, een weinig groeit, zonder dat aan de zaadknoppen eenige verandering zichtbaar is. Een tweede graad bestaat daarin, dat het vruchtbeginsel sterker groeit, en dat ook de zaadknoppen een begin van ontwikkeling toonen, doch dan verwelken. Een derde graad brengt het tot kleine onvolkomen vruchten met looze zaden. Een vierde graad vormt normale