Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/156

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

144

HET ONTSTAAN VAN VRUCHTEN EN ZADEN.



groeien, niet worden uitgemaakt, want het blijft steeds mogelijk, dat de halfroode vruchten het product van afzonderlijke variëteiten zijn. Even voldoende bekend zijn die gevallen, waarin druiven in grootte, vorm en kleur veranderingen ondergingen, terwijl zij uit bloemen ontstaan waren, die met stuifmeel van andere druivensoorten bestoven waren. Men verkreeg dan in denzelfden tros druiven van verschillende kleur en grootte, ja, zelfs enkele gevlekte en gestreepte vruchten waren daartusschen. Ook van appelen, meloenen en augurken worden gevallen van zulk een beweerden invloed van het stuifmeel medegedeeld.

In de opgenoemde en de meeste andere gevallen is er steeds een bron van fout aanwezig, die zeer moeilijk uit te sluiten is. Men verkrijgt namelijk het gewenschte resultaat alleen dan, wanneer men plantenvormen met elkander kruist, die slechts in zeer ondergeschikte opzichten van elkander afwijken, in alle belangrijke kenmerken echter geheel met elkander overeenkomen. Nu zijn, vooral bij gekweekte planten, deze ondergeschikte kenmerken in vele gevallen verre van constant. Bij de vermenigvuldiging der soort door middel van zaden of stekken is men volstrekt niet zeker, in alle nieuwe exemplaren volkomen dezelfde eigenschappen terug te zullen krijgen als die, welke de moederplant had; integendeel, het is meer dan waarschijnlijk, dat tenminste enkele in bepaalde opzichten zullen afwijken. Ja zulk een afwijking behoeft niet eens een geheel exemplaar te omvatten, maar kan zich zelfs tot een of meer takken beperken. Wanneer men dus niet, door een ondervinding van lange jaren de zekerheid heeft, dat de soort nooit dergelijke afwijkingen in kleur en grootte van vrucht vertoont, dan ligt altijd het vermoeden voor de hand, dat een verschil der eigenschappen, schijnbaar door vreemd-bestuiving veroorzaakt, in werkelijkheid slechts het gevolg van de veranderlijkheid der eigenschappen, m.a.w, van zoogenaamde variatie is. Dit is des te meer het geval, daar volstrekt niet alle bestuivingen met stuifmeel van verwante vormen den besproken invloed hebben; integendeel, dit resultaat verkrijgt men steeds bij talrijke proeven slechts hoogst enkele malen.