Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/172

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

160

HET ONTSTAAN VAN BASTAARDEN.



zaadknoppen in hun vruchtbeginsel voort, en kunnen zich dus hoogstens langs ongeslachtelijken weg voortplanten. Hoe nauwer de ouders met elkander verwant zijn, des te vollediger wordt de ontwikkeling der meeldraden en stampers bij de bastaarden; zoodat de bastaarden van variëteiten, die slechts in ondergeschikte punten van elkander afwijken, in den regel volkomen vruchtbaar zijn.

Beschouwen wij in de eerste plaats de meeldraden en stampers der soortbastaarden. Deze vertoonen alle denkbare trappen van bijna volkomen vruchtbaarheid tot volkomen onvruchtbaarheid. Het veelvuldigst en het sterkst is de ontwikkeling der meeldraden benadeeld; in vele bastaarden, wier meeldraden geen of bijna geen goed stuifmeel opleveren, is het vruchtbeginsel goed genoeg ontwikkeld om na bestuiving met stuifmeel eener verwante soort (b.v. van een van de ouderlijke soorten) kiembare zaden te leveren. Soms ontbreken de meeldraden geheel, of, wat meer veelvuldig voorkomt, zij vormen in hun stuifmeelhokjes leege korrels, die geen buizen kunnen vormen. Veel gunstiger doen zich de gevallen voor, waarin tusschen de looze korrels enkele goede voorkomen, en van hier tot volkomen normale ontwikkeling van het stuifmeel bestaat natuurlijk een zeer geleidelijke overgang. Doch al kunnen de stuifmeelkorrels buizen vormen, dan doen zij dit toch dikwijls langzamer en minder volkomen, dan de korrels uit meeldraden van zuivere plantensoorten.

De onvruchtbaarheid der stampers bestaat eensdeels in een onvolledige ontwikkeling van het vruchtbeginsel en van de zaadknoppen vóór de bestuiving, anderdeels daarin, dat de bestuiving geen of geen voldoende bevruchting tengevolge heeft. Een maatstaf voor de vruchtbaarheid van beide organen te samen genomen levert het aantal zaden, dat in de vrucht der bastaardplant ontstaat, vergeleken met het gemiddelde aantal zaden, dat de moederplanten gewoonlijk in een vrucht doen rijpen. Soms is dit aantal bijna gelijk aan dat der moederplant, in andere gevallen bedraagt het slechts de helft, een derde, ja soms slechts één tiende gedeelte daarvan, of nog minder. Vooral bij planten, wier zaden klein, en in grooten