Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/46

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

34

DE MEELDRADEN EN HET STUIFMEEL.



in opengesneden toestand voorgesteld is, draagt hare meeldraden in het bovenste wijdere gedeelte der buis, terwijl de stamper, met zijn langen stijl en knopvormigen stempel het lagere gedeelte der buis inneemt. Het is gewoonlijk niet moeilijk bloemen te vinden, waarin de verhouding tusschen den stijl en de meeldraden juist de omgekeerde is. Men behoeft daartoe slechts eenige verschillende planten te onderzoeken, want alle bloemen aan ééne en dezelfde plant bezitten steeds denzelfden bouw. Snijdt men nu zulk een bloem voorzichtig overlangs door, en vergelijkt men haar met onze figuur, zoo ziet men dat de stempel in de trechtervormige verwijding der buis staat, terwijl de meeldraden veel lager in de buis op de bloemkroon ingeplant zijn. Een nauwkeurige beschouwing leert verder, dat in de afgebeelde kortstijlige bloem de meeldraden dezelfde plaats innemen als de stempel der langstijlige bloemen, terwijl omgekeerd de meeldraden der laatsten dezelfde plaats innemen als de stempel in de eerste soort.

Wat nu echter bij dit alles het zonderlingste is, is, dat het voor een stamper volstrekt niet onverschillig is, met welk soort van stuifmeel hij bestoven wordt. Op het allereerste gezicht zou men meenen, dat een bij of hommel, die zich op den vlakken zoom der bloem zet, om uit de diepte der buis de honig te zuigen en daarbij met den kop zoo diep mogelijk in deze buis indringt, zoowel langs de meeldraden als langs den stempel moet gaan, en dus lichtelijk het stuifmeel op den stempel derzelfde bloem zou brengen. Bij den kortstijligen vorm zou dit reeds bij het indringen, bij den langstijligen eerst bij het terugtrekken van den kop het geval zijn. Zoo men nu meende, dat deze schijnbaar onvermijdelijke wijze van bestuiving ook de meest voordeelige was, zou men zich zeer vergissen. Integendeel, zal een voldoende bestuiving plaats hebben, en zullen, als gevolg daarvan, al de zaadknoppen zich tot zaden ontwikkelen, zoo is het volstrekt noodzakelijk, dat er een kruising plaats vindt. En wel steeds zóó, dat de hooge stempel met het stuifmeel der hooge meeldraden, de lage stempel met het bevruchtend poeder der laag ingehechte meeldraden voorzien wordt. Dat dit in de natuur minstens even-