Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/48

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

36

DE MEELDRADEN EN HET STUIFMEEL.



en vruchtbaar bestoven. Het is dan ook niet moeilijk in den zomer van deze soorten rijpe zaden te verzamelen.

Om nu den gestelden regel te bewijzen, dat slechts kruising van even hoog geplaatste organen volledige vruchtbaarheid geeft, zijn, gelijk ik zeide, rechtstreeksche proeven noodig. Hierbij moet men, dit spreekt van zelf, de planten in de eerste plaats tegen het bezoek van insekten beschermen. Doch doet men dit, dan is daardoor ook alle kans op bestuiving uitgesloten, en slechts die bloemen zullen vrucht zetten, op welker stempel men zelf, door middel van een fijn penseeltje of van een pincet, waarmede men de geheele helmknopjes afplukt en op de stempels strijkt, stuifmeel brengt. Men kan dit stuifmeel verschillend kiezen: ten eerste dat der zelfde bloem, ten tweede dat uit een andere maar met de te bestuiven bloem gelijkvormige, ten derde dat uit een andersgevormde bloem. In dit laatste geval komt op den stempel dus stuifmeel van meeldraden, die even hoog als de stempel geplaatst zijn. Alle drie de opgesomde proeven laten zich met lang- en met kortstijlige bloemen uitvoeren, zoodat men zes verschillende soorten van proeven heeft. Ten einde meerdere zekerheid te erlangen, herhaalt men elke proef aan een groot aantal bloemen, liefst op verschillende planten. Onderzoekt men nu later het aantal rijpe zaden, dat in de verkregen vruchten bevat is, zoo vindt men ten eerste, dat de lang- en kortstijlige bloemen onder gelijke omstandigheden even veel zaden geven. Daarentegen heeft de aard van het gebruikte stuifmeel een grooten invloed. Slechts bij bestuiving met stuifmeel uit even hoog geplaatste meeldraden, alzoo bij kruising van ongelijkvormige bloemen, verkrijgt men een volledig of bijna volledig aantal zaden. Kruising van gelijkvormige bloemen levert minder, bestuiving van een bloem met haar eigen stuifmeel nog veel minder zaad, en slechts bij volkomen gebrek aan bestuiving kan zich volstrekt geen zaad ontwikkelen. Deze proeven, het eerst door Darwin genomen, zijn later door vele anderen herhaald, en gaven steeds dezelfde uitkomsten. Ook bij andere planten, wier bloemen dezelfde eigenaardige vormverscheidenheden opleveren, b.v. die van het longen-