Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/61

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
49
DE MEELDRADEN EN HET STUIFMEEL.


buis der bloem, dat de geheele kop daarin verdwijnt. De afstand der bloeiende stempels tot het lipje is nu juist zoo groot, als een hommel hoog is, ten gevolge daarvan raakt de rugzijde van het dier deze kleverige organen aan, en zoo de rug met stuifmeel bedekt was, zouden noodzakelijk ten minste eenige korrels aan de stempels blijven kleven. Deze hebben slechts een uiterst gering aantal stuifmeelkorrels ter bevruchting noodig, en het bezoek van een met stuifmeel beladen hommel brengt dus noodzakelijk voldoende bestuiving en bevruchting met zich.

Hoe komt nu het stuifmeel op den rug van den hommel, terwijl de meeldraden in den helm verscholen liggen? Dit willen wij thans uiteen zetten. De Salvia's hebben slechts twee meeldraden in elke bloem, die dicht naast elkander, ter weerszijden van den stijl, geplaatst zijn. Zij bezitten elk een korten helmdraad, die ongeveer ter halver hoogte van de buis der bloemkroon aan deze vastgehecht is. De helmknop vertoont een uiterst zonderlingen vorm (fig. 28). Hij bestaat uit een lang, steelvormig helmbindsel, dat aan zijn ééne einde een normaal helmhokje met stuifmeel draagt (fig. 28a), terwijl het andere uiteinde (fig. 28 b) in een massief knopje uitloopt, dat als een mislukt tweede helmhokje beschouwd wordt. Dicht bij dit laatste is het helmbindsel, op eigenaardige, uiterst bewegelijke wijze, aan den helmdraad bevestigd. Het vormt daardoor een hefboom, welks armen ongelijk van lengte zijn. Drukt men van boven naar beneden tegen het knopje b (de stand aangenomen als in de figuur), zoo wijkt dit naar c toe, en gelijk men gemakkelijk inziet, beweegt zich a dientengevolge naar links, dus naar het drukkende voorwerp. Daar de hefboomsarm a veel langer is dan de andere, zal de beweging van a ook een veel grootere zijn dan die van het knopje b.

Voordat ik nu aangeef welke beteekenis dit uiterst ingewikkelde samenstel bij de bestuiving heeft, wil ik een kleine proef beschrijven, die ik een ieder, die in zijn tuin Salvia's kweekt, aanraden kan te herhalen. Men neemt daartoe een grasstengel of een dunne bloemsteel van eenige plant, of eenige andere geschikte stift, en steekt deze langzaam in de buis der Salviabloem, zorgdragende dat hij zich steeds ongeveer in de mid-