Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/62

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

50

DE MEELDRADEN EN HET STUIFMEEL.



dellijn der buis beweegt. Plotseling ziet men de beide, tot nu toe in den helm verscholen meeldraden te voorschijn treden. Zij drukken hunne stuifmeelhokjes, bij een juisten stand van de stift, tegen deze aan. Dat de oorzaak dezer beweging in het drukken van de stift tegen de beide korte hefboomsarmen gezocht moet worden, behoef ik wel niet aan te geven. Trekt men de stift terug, zoo keeren de meeldraden, als door een elastische kracht gedreven, weer op hun vroegere plaats terug. Men kan deze proef aan dezelfde bloem verscheidene malen herhalen.

Na deze uitéénzetting ligt het antwoord op de bovengestelde vraag voor de hand. Terwijl de hommel zijn zuigwerktuigen en zijn kop in de bloembuis steekt, stoot hij tegen de korte hefboomsarmen der meeldraden; de lange armen komen te voorschijn, en drukken de met stuifmeel beladen knopjes tegen de haren op den rug van het dier. Deze nemen het fijne poeder tusschen zich op, en terwijl de hommel in een volgende bloem op volkomen dezelfde wijze honig zuigt, geeft zijn rug het opgenomen stuifmeel aan de stempels af, om tevens, zoo mogelijk, uit de meeldraden weer nieuw stuifmeel op te nemen.

In den regel is dit laatste niet het geval; in de eene bloem neemt de hommel stuifmeel op, in de andere geeft hij het af zonder nieuw op te nemen, en zoo afwisselend. Dit ligt daaraan dat de meeldraden der Salvia's eerder bloeien dan de stempels, en dat de eerste dus meest reeds leeg zijn, voor dat de stempels kleverig worden en stuifmeel kunnen opnemen. Ook hier is dus vreemdbestuiving, door de hulp der insekten, regel.

Men zou allicht kunnen vragen, waarom de meeldraden niet eenvoudig zoo staan als de bloeiende stamper, en dus van zelf en zonder eenig verder mechanisme door de hommels aangeraakt worden? Het antwoord op deze vraag is gemakkelijk te geven. Verscholen in den helm zijn de stuifmeelhokjes beveiligd tegen allerlei schadelijke invloeden; stonden zij vrij in de ruimten tusschen helm en lipje, dan waren zij aan talrijke gevaren blootgesteld, waardoor hun stuifmeel licht op