Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/68

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
56
DE MEELDRADEN EN HET STUIFMEEL.


schuinen stand geraakt is. Zulk een toestand neemt na eenigen tijd langzaam en onmerkbaar weêr af. Bij elke beweging rukt de stamper iets verder in de buis naar boven, en drijft daarbij een kleine hoeveelheid stuifmeel voor zich heen en uit den top der buis. Men ziet dus hoe de prikkelbaarheid der meeldraden hier den groei des stampers helpt, om het stuifmeel uit de buis te brengen en zoo den doorgang voor den stempel vrij te maken. De oorzaak, welke tot de herhaalde prikkeling der meeldraden aanleiding geeft, vindt Koelreuter in de insekten, die in zulke bloemen hun voedsel zoeken en, door de veelvuldige onvermijdelijke stooten, de meeldraden van tijd tot tijd zich plotseling doen samentrekken. Men kan deze beweging slechts aan levenskrachtige bloeiende bloempjes waarnemen; in elk bloemhoofdje zijn het juist die kringen van bloempjes, die zich juist openen of reeds in vollen bloei staan. De andere, meer naar buiten gelegene bloempjes vertoonen het verschijnsel niet meer, en evenmin kan het bij de jongere, nog in den knoptoestand verkeerende worden opgewekt.

Tot zoover Koelreuter. Om zijne beschrijving volledig te maken behoef ik nog slechts op te merken, dat de stempels niet bloeien, voordat zij, hoog boven de stuifmeelbuis gekomen, uitéén wijken en zich omkrullen. Het stuifmeel, dat ze uit de buis geborsteld hebben, heeft voor hen geen nut. Het is reeds vóór hun bloeitijd door insekten weggevoerd en op andere stempels afgestreken. Doch in elk bloemhoofdje bloeien gelijktijdig jonge en oude bloemen, zoodat elk insekt, dat daarop rondloopt, noodzakelijk het stuifmeel der jongere op de stempels der oudere overbrengt.

Het is de moeite waard nog op te merken dat de prikkelbaarheid oorzaak is dat het stuifmeel niet langzamerhand, maar schoksgewijze uit de buis der meeldraden te voorschijn treedt, en daar de prikkels in de vrije natuur, zoo niet uitsluitend, dan toch voornamelijk van de honigzoekende insekten uitgaan, komt het stuifmeel slechts dan uit de buis, als er juist een insekt is, om het op te nemen en verder te voeren. Wij leeren hierin weer een hoogst eigenaardig middel kennen, dat