Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/71

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
59
DE MEELDRADEN EN HET STUIFMEEL.


aan zulke planten toebehooren, wier bestuiving uitsluitend door insekten wordt bewerkstelligd. Want niet alleen hechten de korrels door hunne scherpe doorntjes en dikwijls getande kammen gemakkelijk aan elkander, maar evenzoo ook aan andere voorwerpen, b.v. de haren der insekten. Wij hebben reeds vroeger gezien dat het stuifmeel der insektenbloemen niet alleen door deze versieringen kleeft, maar ook door middel van een gomachtige stof, die als overblijfsel van het weefsel, waarin de korrels ontstonden, nog aan hunne oppervlakte zich bevindt. Wij onderscheiden dus het klevend stuifmeel der insekten-bloemen algemeen van het stuivend stuifmeel der windbloemen. Op enkele uitzonderingen op dezen regel kom ik weldra terug.

Vorm en grootte der stuifmeelkorrels zijn bij verschillende planten zeer verschillend. Bij de Malva's en vele soorten van komkommer-achtige planten zijn de korrels zoo groot, dat ze met een loupe gemakkelijk gezien kunnen worden: bij andere planten zijn zij veel kleiner. Meestal zijn zij kogelrond, niet zelden echter ovaal, of zelfs driehoekig. Die van den Den (fig. 30, N°. 10) zijn ter weerszijden van een luchtblaasje voorzien, waardoor zij zeer licht zijn en gemakkelijk door den wind verplaatst worden. Elke korrel is één enkele cel, die uit een korreligen inhoud en een dubbelen wand bestaat. De buitenwand is stijf en elastisch, de binnenwand zeer teer. De laatste vormt, zoodra de korrel in het stempelvocht gekomen is, de stuifmeelbuis, die wij in ons eerste hoofdstuk beschreven hebben. Gelijk wij reeds toen vermeldden, bezit de buitenste wand daartoe openingen, die bij verschillende soorten op verschillende wijze gesloten zijn. Onze fig. 30, N°. 7, vertoont een sluiting dezer openingen door middel van kleine dekseltjes, die afgeworpen worden, zoodra de korrel in water of in het stempelvocht opzwelt. Blijven stuifmeelkorrels op de geopende meeldraden lang aan de uitdrogende werking der lucht blootgesteld, zoo krimpen zij in en krijgen daarbij plooien, die den kogelronden vorm meestal in een elliptischen doen overgaan. Brengt men zulk een korrel onder het mikroskoop in water, zoo zwelt hij weêr aan, en herneemt de oorspronkelijke gedaante.