Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/75

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

63

DE MEELDRADEN EN HET STUIFMEEL.



kleine kransjes van eironde licht-rose bloempjes, en de struikheide (Calluna vulgaris) met lange dicht gevulde trossen van roode bloempjes bedekken overal onze heidevelden. In warmere streken, b.v. op Madera, bereiken sommige soorten (b.v. Erica arborea) een hoogte van 4 tot 5 meter en nemen geheel het uiterlijk van boomen aan.

Fig. 33.

Het leven der bloem (1900) p075 fig33.png

Heiplantje.

De steeds fraai gekleurde bloemkroon der heiplantjes heeft, al naar gelang der soort, een zeer verschillenden vorm: nu eens buisvormig, dan weer kogelvormig of eirond met slechts een nauwe opening aan den top, eindelijk ook weer klok- of schotelvormig uitgebreid. De meeldraden zijn steeds acht in getal en niet, zooals bij de meeste planten met vergroeidbladige bloemkroon, op deze, maar op den bloembodem zelven ingeplant. In het midden staat de stamper, uit een eirond vruchtbeginsel, een steelvormigen stijl en een kleinen stempel bestaande. Op den bloembodem bevinden zich honigkliertjes, die groote hoeveelheden van een zoet vocht afzonderen.

Beschouwen wij thans de meeldraden en het stuifmeel wat meer van nabij. Elke meeldraad draagt, op een langen dunnen steel, een helmknopje, dat aan zijn top twee kleine poriën bezit voor het uitlaten van het stuifmeel, en aan zijn voet twee naald- of bladvormige, dwars uitstekende aanhangsels. Stoot men voorzichtig tegen deze aanhangsels, zoo is deze geringe beweging voldoende om een deel van het stuifmeel uit de hokjes te doen treden, vooral indien men den geheelen meeldraad in zijn natuurlijke positie, dat wil zeggen hangend (verg. fig. 33) onderzoekt. De stuifmeelkorrels zijn hier een werkelijk