Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/77

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

65

DE MEELDRADEN EN HET STUIFMEEL.



tegen hen zal de honigzuigende bij dus aanstooten. Dit heeft, gelijk wij weten, een uitstrooien van het stuifmeel ten gevolge. Het fijne poeder valt op de vooraf kleverig geworden lichaamsdeelen van het insekt, blijf dus hier hechten, en wordt ten deele reeds op den stempel derzelfde bloem, voor 't grootste deel echter op die van andere, kort daarna bezochte bloemen afgestreken.

Wanneer men op een warmen zomerdag over een in vollen bloei staand heideveld wandelt, dan staat men verbaasd over de menigte van insekten van allerlei soort, welke de heidebloemen bezoeken. Onder deze neemt de gewone honigbij steeds een eerste plaats in. Ja de nabijheid van heidevelden is voor houders van bijenkorven steeds een groot voordeel, daar zij gedurende den bloeitijd der heiplantjes een bijna onuitputtelijke hoeveelheid honig aan de nijvere bezoekers aanbieden. Neemt men dit alles in aanmerking, dan zal men licht tot de overtuiging geraken, dat de bestuiving der heiplantjes door bijen zoo voldoende verzekerd is, dat zij voor geen andere wijze van bestuiving, zelfs niet voor zelfbestuiving der afzonderlijke bloemen, behoeft onder te doen.




III

DE BETEEKENIS DER BLOEMKROON VOOR DE BESTUIVING DOOR INSEKTEN.


In ons eerste hoofdstuk hebben wij gezien, dat men dat gedeelte der bloem, dat gewoonlijk de meest in 't oogloopende kleuren vertoont, de bloemkroon noemt. De naam van kelk, door leeken niet zelden aan de kroon gegeven, wordt in de plantkunde uitsluitend aan den buitensten krans van bloembekleedselen toegekend, die meestal groen van kleur is en slechts in enkele bloemen de rol der bloemkroon overneemt, wanneer deze ontbreekt of tot andere doeleinden verbruikt is. Van dit laatste geval zullen wij in ons hoofdstuk over de honigkliertjes voorbeelden leeren kennen.