Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/78

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
66
DE BETEEKENIS DER BLOEMKROON.


Niet zelden hoort men de meening uitspreken, dat de schoone kleuren en de aangename reuk der bloemen eenig en alleen ten doel hebben de natuur te verfraaien en zoodoende den mensch het leven te veraangenamen. In vroegere tijden was deze opvatting de eenige, algemeen heerschende, en vormde zij een deel van die geheele wereldbeschouwing, welke den mensch het middenpunt en het doel der schepping noemde en meende, dat alles in de natuur ten zijnen gerieve en tot zijn genoegen geschapen is. Thans is deze opvatting zoo geheel verouderd, dat het niet noodig is, ook maar enkele, tegen haar pleitende argumenten aan te voeren. Maar als dan de bloemen niet ter wille van den mensch zoo fraai gekleurd en zoo sierlijk gevormd zijn, waarom zijn zij het dan? Deze vraag werd reeds voor het einde der vorige eeuw op volkomen afdoende wijze door den beroemden Sprengel beantwoord. Hij merkte op, dat bijen, vlinders en andere insekten steeds de bloemen bezoeken, om daarin honig te zoeken, en ontdekte daarbij voor het eerst het merkwaardige feit, dat deze gevleugelde bezoekers te gelijkertijd aan de bloemen een belangrijken dienst bewijzen. Gelijk mijne lezers uit de beide vorige afdeelingen weten, bestaat deze dienst daarin, dat zij het fijne stuifmeel der meeldraden overbrengen op die deelen, waaruit zich later de vrucht moet vormen. Zonder deze verplaatsing van het stuifmeel toch is de goede ontwikkeling der vrucht en het voortbrengen van rijpe, kiembare zaden eene onmogelijkheid.

Sprengel zag nu bij deze en verdere nasporingen ten duidelijkste, dat de insekten bij het opzoeken der bloemen vooral door de kleuren geleid worden en daaraan reeds van verre de bloemen herkennen. Hij wees er op, dat groene bloemen zeer zeldzaam zijn, en dat zij, waar zij voorkomen, van andere lokmiddelen voor insekten voorzien zijn. Zoo zijn de bloemen der Reseda's en van den Wingerd bekend om haar sterken en aangenamen reuk, die, gelijk wij later zien zullen, de insekten nog krachtiger aanlokt dan de fraaie kleuren der bloemkroon. Hij zag verder dat fraaie en groote bloemen meer door insekten bezocht worden dan minder in 't oog loopende en