Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/79

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
67
VOOR DE BESTUIVING DOOR INSEKTEN.


kleinere, iets waaruit de werking der kleuren ten duidelijkste kon gezien worden. Deze belangrijke regel werd in de laatste jaren door de uitvoerige onderzoekingen van Hermann Müller zeer wezenlijk bevestigd en uitgebreid. Müller nam een groot aantal wildgroeiende planten gedurende een reeks van jaren waar, en teekende aan door welke insekten zij bezocht werden. De vergelijking der zoo verkregen lijsten van insekten-bezoeken stelde hem in staat aan te toonen, dat de door Sprengel uitgesproken regel algemeen geldt. Ook wanneer men verwante vormen met elkander vergelijkt, blijkt de regel juist te zijn. Zoo b.v., wanneer men de kleinbloemige, bij ons in 't wild voorkomende soorten van Geranium vergelijkt met de grootbloemige soorten van hetzelfde geslacht, waarvan enkele eveneens in 't wild gevonden worden, andere daarentegen als tuinplanten zeer bekend zijn. Zoowel het aantal insektensoorten, als het aantal individu's dat de kleine bloemen bezoekt, zal daarbij blijken veel geringer te zijn dan het aantal bezoekers op de grootere fraaiere bloemen. Talrijke voorbeelden hiervan zouden wij nog kunnen aanhalen, doch iedereen kan zich op een zonnigen dag in den tuin gemakkelijk van de juistheid van het gezegde overtuigen.

Een ander bewijs, dat de insekten werkelijk door de kleuren der bloemen geleid worden, leveren ons een aantal bloemen, die wel fraai gekleurd zijn, maar geen honig bevatten. Zij lokken de insekten wel tot een bezoek uit, maar het voedsel, dat deze dieren in haar zoeken, bezitten zij niet. Voor het insekt is zulk een bezoek dus meest nutteloos. Toch ziet men ze veelvuldig op zulke honiglooze bloemen. Zoo b.v. vindt men zeer dikwijls vlinders op de fraai gele bloemen van het Hertshooi (Hypericum perforatum), dat bij ons in boschachtige zandstreken niet zeldzaam is. Men ziet ze er met de punt van hun uitgestrekte roltong verschillende plaatsen van den bloembodem betasten, doch nergens vinden zij eenigen honig. Een ander soortgelijk geval kan men waarnemen, wanneer insekten met korte monddeelen op bloemen vliegen, wier honig veel te diep verborgen ligt om door hen bereikt te worden. Zoo tracht de gewone honigbij dikwijls te vergeefs aan de bloemen