Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/84

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
72
DE BETEEKENIS DER BLOEMKROON.


vinden, moet in 't algemeen de bloem een zeer bepaalden stand aannemen. Zoo moeten alle symmetrische bloemen steeds zoo staan, dat haar bovenkant boven, haar onderkant onder ligt. In den regel is dit nu door de ontwikkeling der bloem zóó voorbereid, dat het tijdens den bloei werkelijk plaats vindt. Een hoogst merkwaardige uitzondering daarop maken de Goudenregens, de Acacia's en de Blauweregens. Deze planten behooren tot de familie der vlinderbloemen, wier bloemen wij weldra uitvoeriger zullen beschrijven. Wij zullen dan zien dat vlinderbloemen geheel ingericht zijn op de bestuiving door bepaalde insektensoorten, die zich op een bepaalde wijze op de onderste deelen der bloem neerzetten, en door het bovenste bloemblad, de zoogenaamde vlag, gedwongen worden zich langs den voorgeschreven weg in de bloem te bewegen. Stond nu zulk een bloem eens omgekeerd of horizontaal dan zou het insekt er natuurlijk den weg niet in kunnen vinden, en er zou geen bestuiving plaats vinden. Nu hangen echter, gelijk iedereen weet, de trossen der zooeven genoemde boomen omgekeerd. In den knoptoestand staat dus elke afzonderlijke bloem eveneens omgekeerd, met de vlag naar beneden. Zoo ontluikende, zouden zij dus haar doel niet kunnen bereiken. Om dit toch te bereiken neemt de natuur hier een uiterst eenvoudig middel te baat. Kort voor dat de bloemen opengaan, beginnen zich haar steeltjes te draaien, en zij houden deze beweging juist zoolang vol, tot de vlag van hun bloempje bovenstaat, en de bloem dus precies zoo geplaatst is, als dit voor het bezoek der insekten noodig is. Deze kleine bijzonderheid gaat licht onopgemerkt voorbij, wanneer men een Goudenregen ziet bloeien, en toch is het een belangrijke vingerwijzing voor de beteekenis, die de juiste stand voor het leven der bloemen bezit.

Tot nu toe hebben wij het doen voorkomen alsof de bloemkroon voornamelijk diende om insekten aan te lokken. Thans komen de gevallen aan de beurt, waarin de kroon zoo gebouwd is, dat zij bepaalde insekten van den toegang tot den honig uitsluit en dit kostbare sap daardoor voor andere meer begunstigde soorten bewaart. Welk nut deze uitsluiting heeft,