Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/125

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

114

vau het geld moesten buigen en zich prostitueeren, het zich ontworstelen aan die macht beteekent het gaan strijden voor onstoffelijke schatten in volle geestelijke vrijheid. Economische vrijheid, of het afsterven van het economisch recht van den sterkste, houdt in de vrijheid van intellect, derhalve de algeheele ontplooiing van de individualiteit.

Het verleden is daar om te bewijzen, dat de strijd voor beginsel of overtuiging in intensiteit verre overtreft den zielloozen bezitsstrijd. In dien bezitsstrijd is iets zoo verlagende, dat hij de huidige gezagswereld ontneemt tot zelfs het vermogen zich edeler strijdvormen voor te stellen. Het langdurig ademen in een sfeer van ontaarding, doodt alle ontvankelijkheid voor het schoone. Zoo zal het immer omringd zijn van het grove en wanstaltige, of het voortdurend beluisteren van vulgaire harmonieën het kunstgevoel verzwakken. Ook de geest vergroft, naar gelang van minder gehalte zijn de indrukken die hij heeft te verwerken.

Dat instinctmatig vereenzelvigen van de idee van strijd met iets onschoons of minderwaardigs, dat zich niet kunnen denken een strijd in waarheid, in heiligen onleschbaren wetensdorst en zoekensdrang, karakteriseert niet alleen de ondergaande wereld, het schijnt ook nog steeds het kenmerk der gevoelssocialisten van heden, van al die utopistisch begrijpenden zich scharende in de gelederen der arbeidersbeweging, doch wier denkleven blijft, buiten de wetenschappelijke omwenteling in de laatste helft dezer eeuw. Alleen een geest-